Terug naar bibliotheek
Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:1866 - Hoge Raad - 9 december 2025
Arrest
ECLI:NL:HR:2025:1866•9 december 2025•Deze uitspraak wordt in 1 latere zaken aangehaald
Arrest inhoud
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01646
Datum9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 april 2023, nummer 23-002742-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep niet gericht tegen "de (partiële) vrijspraken en de overige voor verdachte gunstige beslissingen van het Gerechtshof Amsterdam".
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde taakstraf en de vervangende hechtenis, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel klaagt over het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van gewoontewitwassen. Het voert daartoe onder meer aan dat het oordeel van het hof dat de hypothecaire geldlening van € 450.000 is verkregen door het gebruik van een valse werkgeversverklaring en valse arbeidsovereenkomsten, ontoereikend is gemotiveerd en ook niet verenigbaar is met de onherroepelijke vrijspraak door de rechtbank van de onder 2 als eerste tenlastegelegde oplichting.
2.2.1 In eerste aanleg is aan de verdachte tenlastegelegd – kort gezegd – onder 1 'medeplegen van gewoontewitwassen', onder 2 als eerste 'oplichting' en als tweede 'medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, meermalen gepleegd' en onder 3 'valsheid in geschrift'. De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van de onder 2 als eerste tenlastegelegde oplichting. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor het onder 1, onder 2 als tweede en onder 3 tenlastegelegde.
2.2.2 Over de vrijspraak van de onder 2 als eerste tenlastegelegde oplichting heeft de rechtbank onder meer overwogen:
"Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte - kort gezegd - als oplichting ten laste is gelegd, zodat hij van het primair alternatief cumulatief tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht is sprake wanneer iemand met het oogmerk om zich (of een ander) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, een ander beweegt tot afgifte van enig goed. Wil er in juridische zin sprake van oplichting zijn, dan moet dus door één of meer van de hiervoor genoemde vier middelen iemand worden bewogen tot afgifte van een goed, in het onderhavige geval de verstrekking van een hypotheek. Tussen de afgifte van het goed en de hiervoor genoemde middelen moet een rechtstreeks verband bestaan. Met andere woorden, men moet door één of meer van die middelen ook daadwerkelijk zijn overgehaald het goed af te geven. Het is aan de rechtbank te toetsen of de verdachte door toepassing van enig hiervoor genoemd middel de in de tenlastelegging genoemde personen heeft bewogen tot afgifte. In het dossier ontbreekt een aangifte van [A] N.V. en [B] . Gelet hierop acht de rechtbank onvoldoende vaststaan of en zo ja in hoeverre [A] N.V. en [B] door verdachte en zijn medeverdachte zijn bewogen tot de verstrekking van een hypotheek. Verdachte dient derhalve voor dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken."
2.2.3 Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van de onder 2 als eerste tenlastegelegde oplichting.
2.2.4 In hoger beroep is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 4 april 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader geldbedragen tot een totaal van € 279.805,-, en een deel van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] en een deel van de percelen aan de [b-straat 1] te [plaats] , verworven en/of voorhanden gehad en/of gebruik gemaakt van voornoemde geldbedragen, terwijl hij en zijn mededader telkens wisten dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."
2.2.5 Het hof heeft over de in 2.2.4 weergegeven bewezenverklaring onder meer overwogen:
"1.1 Inleiding
[medeverdachte] heeft in 2005 voor een bedrag van € 750.000, - een woonboerderij aan de [a-straat 1] te [plaats] gekocht. Zij heeft de koopovereenkomst op 15 februari 2005 gesloten en het pand is op 15 december 2005 aan [medeverdachte] geleverd. [verdachte] en [medeverdachte] hebben samen op 15 december 2005 bij [A] NV (in de offerte aangeduid onder de handelsnaam: [B] ) een hypothecaire lening afgesloten van € 450.000,-. Voor de aanvraag van de lening is gebruik gemaakt van twee arbeidsovereenkomsten van [medeverdachte] bij [C] en een werkgeversverklaring van [D] B.V., eveneens betreffende [medeverdachte] .
1.2 Arbeidsovereenkomsten
De arbeidsovereenkomsten met [C] dateren van onderscheidenlijk 1 september 2004 (arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd) en 1 januari 2005 (arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) en vermelden dat [medeverdachte] per 1 september 2004 als bedrijfsleider € 1.252,80 bruto gaat verdienen bij een 32-urige werkweek, respectievelijk per 1 januari 2005 in dezelfde functie € 6.139,72 bruto bij een 40-urige werkweek. In deze arbeidsovereenkomsten is vermeld dat de werkgever wordt vertegenwoordigd door [betrokkene 1] .
[betrokkene 1] stond destijds als gevolmachtigd directeur van [D] B.V. (met handelsnaam [C] ) vermeld in het handelsregister van de kamer van koophandel. Deze [betrokkene 1] heeft zowel tegenover de politie op 7 april 2011 als bij de raadsheer-commissaris op 19 november 2019 verklaard dat de handtekeningen op de arbeidsovereenkomsten niet van hem zijn. Dat de handtekeningen door de vader van [betrokkene 1] - de inmiddels overleden [betrokkene 2] - zouden zijn geplaatst, is niet aannemelijk en ook niet relevant, nu niet van zijn betrokkenheid of bevoegdheid bij [C] is gebleken. Dit leidt tot het oordeel dat de arbeidsovereenkomsten valselijk zijn opgemaakt zoals ten laste is gelegd, nu daarin in strijd met de waarheid is vermeld dat deze zijn ondertekend door [betrokkene 1] .
1.3 Werkgeversverklaring
Naast deze valselijk opgemaakte arbeidsovereenkomsten is ten behoeve van de aanvraag van de hypothecaire geldlening ook een op 17 oktober 2005 ondertekende werkgeversverklaring betreffende [medeverdachte] van [D] B.V. overgelegd. Volgens die verklaring zou [medeverdachte] sinds 1 september 2004 als manager in vaste dienst zijn van [D] B.V. De werkgeversverklaring is namens [D] B.V. ondertekend door [betrokkene 3] , de schoondochter van [verdachte] en [medeverdachte] .
In haar verklaring bij de politie op 6 april 2011 heeft [betrokkene 3] gezegd niet bij [D] B.V. te hebben gewerkt en dit bedrijf niet te kennen. Zij kan zich ook niet herinneren namens [D] B.V. een handtekening op een werkgeversverklaring te hebben geplaatst, maar het zou wel kunnen. Bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 11 november 2013 heeft [betrokkene 3] vervolgens verklaard het bedrijf wel te kennen en zich daar met personeelszaken te hebben bezig gehouden, 2 of 3 weken voordat zij bij [F] aan de slag kon.
Deze laatste verklaring is ongeloofwaardig in het licht van haar eerdere, haaks daarop staande verklaring bij de politie. Bovendien is [betrokkene 3] blijkens informatie van de belastingdienst pas in 2006 bij [F] begonnen, derhalve meer dan 2 maanden (en niet 2 of 3 weken) na haar gestelde werkzaamheden bij [D] B.V. Dat [betrokkene 3] zich door de politie overvallen voelde, brengt nog niet mee dat daarom niet van de juistheid van haar toen afgelegde verklaring kan worden uitgegaan. Daarbij komt nog dat [medeverdachte] in haar verklaring bij de politie op 7 april 2011 heeft gezegd dat [betrokkene 3] nooit officieel voor [C] heeft gewerkt, dat zij daar wel eens onbetaald in de garderobe hielp en dat zij (ook) niet bij [D] heeft gewerkt.
Gelet op het voorgaande is ook de werkgeversverklaring valselijk opgemaakt, nu [betrokkene 3] niet bij [D] heeft gewerkt en derhalve niet in hoedanigheid van werknemer van/namens dit bedrijf heeft kunnen tekenen.
1.4 Medeplegen
[medeverdachte] en [verdachte] hebben beiden op 21 november 2005 de hypotheekofferte van [B] getekend, die heeft geleid tot de aan hen verstrekte hypothecaire lening. Ten behoeve van de hypotheekaanvraag zijn voornoemde valselijk opgemaakte arbeidsovereenkomsten en werkgeversverklaring overgelegd. Deze stukken zijn op 11 november 2005 onder de noemer 'aanvraag hypotheekofferte tnv [betrokkene 2] ' door de financieel adviseur [E] doorgezonden naar [B] (onderdeel van [A] ).
(...)
2.3 Redelijk vermoeden
[verdachte] en [medeverdachte] zijn op 5 november 1982 gehuwd, hebben samen zes kinderen en staan ingeschreven op het adres [c-straat 1] te [plaats] . Zij voeren een gemeenschappelijke huishouding. Dat met ingang van 25 januari 2006 huwelijkse voorwaarden tussen hen zijn opgemaakt, met uitsluiting van gemeenschap van goederen, maakt dat niet anders, gezien ook artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden, waarin de gemeenschappelijke huishouding is opgenomen.
Uit informatie van de belastingdienst is gebleken dat van [verdachte] in de periode van 2005 tot en met 2008 geen loongegevens bekend zijn. In verband met zijn detentie in de periode van 11 september 2002 tot en met 17 januari 2005 kan [verdachte] ook gedurende deze periode geen inkomsten hebben gehad. In 2009 had hij een brutojaarloon van € 8.707 van [H] en [I] BV. Uit de rekeninggegevens van [rekeningnummer 2] is gebleken dat hij vanaf februari 2009 maandelijks salaris ontving van [H] en [I] B.V. ter hoogte van € 617 tot € 623 per maand.
[medeverdachte] ontving in 2005 een brutoloon van € 73.132 van [D] B.V. Voor de periode van 2006 tot en met 2009 zijn van haar geen loongegevens bekend. Uit de rekeninggegevens van rekeningnummer 63.28.755 is gebleken dat [medeverdachte] in de periode van 7 april 2005 tot en met 23 februari 2006 maandelijks € 3.600 aan salaris ontving van [G] B.V. Daarnaast ontving zij in de onderzoeksperiode kinderbijslag/toeslag van in totaal € 16.902,60.
Op basis van de bij de belastingdienst bekende informatie is derhalve sprake van betrekkelijk geringe inkomsten, bezien over de gehele tenlastegelegde periode van 1 januari 2005 tot en met 4 april 2011.
De verdachte [medeverdachte] heeft in juli 2005 het pand aan de [d-straat 1] gekocht voor een bedrag van € 100.000, - (hypotheek € 63.000,-) en in februari 2005 het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] voor € 750.000 (hypotheek € 450.000). [medeverdachte] en [verdachte] hebben in 2006 samen de [b-straat 1] te [plaats] , sectie AC 1415 gekocht voor een bedrag van € 800.000 en [verdachte] heeft in 2008 ook onroerend goed bekend als sectie AC 1612 aldaar gekocht voor een bedrag van € 183.250 (hypotheek € 163.250). Verder hebben veel contante stortingen tot (in totaal) bijna € 3 ton op de diverse privé rekeningen van de verdachten plaatsgevonden.
Deze voorgaande feiten en omstandigheden - het aangekochte onroerend goed en de vele contante stortingen afgezet tegen de geringe bij de belastingdienst bekende inkomsten - leveren een redelijk vermoeden van witwassen op. Hierbij komt nog dat de [verdachte] in het verleden meermalen in verband met drugsgerelateerde strafbare feiten is veroordeeld.
2.4 Verklaringen verdachte
2.4.1 Aankoop IJweg
Ten aanzien van het in 2005 door [medeverdachte] aangeschafte pand aan de [a-straat 1] heeft de verdediging gesteld dat dit pand voor een bedrag van € 300.000, - is aangeschaft met geldbedragen afkomstig uit de terugbetaling van leningen door derden en een hypotheek van € 450.000, - op naam van [verdachte] en [medeverdachte] .
Dat de verdachten geld terug hebben ontvangen van leningen aan derden wordt ondersteund door de gegevens van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte] en die van de rekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van [betrokkene 2] en/of [medeverdachte] . Voorafgaand aan overboekingen van deze rekeningen ten bedrage van € 100.000 en € 20.000 in oktober 2005 respectievelijk € 101.260,20 in december 2005 naar notaris [betrokkene 4] onder vermelding van ' [a-straat 1] ' vonden in oktober respectievelijk december 2005 diverse overboekingen en stortingen van derden op die rekeningen plaats (bijv. een ontvangen bedrag van € 20.000, - op 12 oktober 2005 met als omschrijving: 'Afl. Schuld [betrokkene 5] ' (storting). Al met al is sprake van een concrete, min of meer verifieerbare, niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring omtrent de herkomst. Het openbaar ministerie heeft geen onderzoek gedaan naar deze verklaring van de verdachten, waaruit de onjuistheid is gebleken. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat het bedrag van € 300.000 van misdrijf afkomstig is. [verdachte] moet ten aanzien van deze post dus worden vrijgesproken.
De hypothecaire geldlening van € 450.000,-, waarmee het pand aan de [a-straat] voor een belangrijk gedeelte is gefinancierd, is verkregen door het gebruik van een valse werkgeversverklaring en valse arbeidsovereenkomsten, zoals hierboven reeds is overwogen. Dit geld is aldus van eigen misdrijf afkomstig en vervolgens aangewend ter financiering van de aanschaf van dit onroerend goed. Gelet daarop is het witwassen van een deel van het pand aan de [a-straat] wettig en overtuigend bewezen.
(...)
2.5 Conclusie: medeplegen gewoontewitwassen
Alles afwegende acht het hof het medeplegen van gewoontewitwassen tot een bedrag van (€ 299.455 - € 19.650 =) € 279.805, - en een deel van het pand aan de [a-straat] en een deel van de percelen aan de [b-straat] wettig en overtuigend bewezen."
2.3 Het hof heeft vastgesteld dat de mededader [medeverdachte] in 2005 voor een bedrag van € 750.000 een woonboerderij aan de [a-straat 1] in [plaats] heeft gekocht en dat [medeverdachte] samen met de verdachte op 15 december 2005 bij [A] N.V. een hypothecaire lening heeft afgesloten van € 450.000. Voor de aanvraag van die lening is gebruik gemaakt van twee arbeidsovereenkomsten van [medeverdachte] bij [C] en een werkgeversverklaring van [D] B.V. die ook [medeverdachte] betrof. Het hof heeft geoordeeld dat deze arbeidsovereenkomsten en deze werkgeversverklaring valselijk zijn opgemaakt en dat de hypothecaire geldlening van € 450.000, waarmee het pand aan de [a-straat] voor een belangrijk gedeelte is gefinancierd, is verkregen door het gebruik van deze valse geschriften. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat dit geld van eigen misdrijf afkomstig is en is aangewend ter financiering van de aanschaf van het pand aan de [a-straat] is toereikend gemotiveerd.
2.4 Voor zover het cassatiemiddel zich erop beroept dat dit oordeel van het hof niet verenigbaar is met de door de rechtbank gegeven vrijspraak van oplichting van [A] N.V., omdat naar het oordeel van de rechtbank door het ontbreken van een aangifte van [A] N.V. onvoldoende vaststaat of zij door de verdachte is 'bewogen tot' de verstrekking van de hypotheek, is het volgende van belang. Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van de onder 2 als eerste tenlastegelegde oplichting van [A] N.V. Het cassatieberoep van de verdachte is niet gericht tegen deze beslissing van het hof. Daarom is de vrijspraak van de onder 2 als eerste tenlastegelegde oplichting door de rechtbank niet aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen. Of de motivering door het hof van het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van gewoontewitwassen verenigbaar is met de voor die vrijspraak gegeven motivering kan dan ook niet in cassatie worden getoetst (vgl. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4736).
2.5 Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 210 uren, subsidiair 105 dagen hechtenis.
5 Beslissing
De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis; - vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 189 uren beloopt, subsidiair 94 dagen hechtenis; - verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025.