Terug naar bibliotheek
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2024:2066 - Gerechtshof 's-Hertogenbosch - 20 juni 2024
Arrest
ECLI:NL:GHSHE:2024:2066•20 juni 2024
Arrest inhoud
Parketnummer : 20-001176-21
Uitspraak : 20 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 april 2021, parketnummer 02-283176-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummers 02-821452-16, 02-820090-18, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep verdachte vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde, de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en deze als volgt gekwalificeerd: - feiten 1 en 2
de eendaadse samenloop van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit; - feiten 1 en 3
de eendaadse samenloop van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet
en
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
De rechtbank heeft verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Verder heeft de rechtbank de teruggave aan [betrokkene 1] gelast van de onder verdachte inbeslaggenomen horloges (Rolex). Tot slot heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen van respectievelijk 151 dagen (parketnummer 02-821452-16) en 180 dagen (02-820090-18).
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met verbetering van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende: - de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
De raadsman heeft:
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 26 november 2019 in na te noemen plaatsen heeft deelgenomen aan een of meer organisatie(s), welke organisatie(s) bestond(en) uit een of meer samenwerkingsverband(en) van hem, verdachte, en na te noemen perso(o)n(en), te weten
- in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 3 juli 2019 te Esch, gemeente Haaren, en/of te Bergen op Zoom en/of te Tiel en/of te Culemborg en/of Renesse en/of een of meer andere plaatsen in de gemeente Schouwen-Duiveland en/of elders in Nederland met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of een of meer (andere) perso(o)n(en) (criminele organisatie 11B Opiumwet lab Esch)
en/of
- in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 19 juli 2019 te Rilland, gemeente Reimerswaal en/of te Bergen op Zoom en/of te Goes en/of Renesse en/of Brouwershaven en/of Burgh-Haamstede en/of Oosterland en/of Serooskerke Schouwen althans in de gemeente Schouwen-Duiveland en/of elders in Nederland met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of een of meer (andere) perso(o)n(en) (criminele organisatie 11B Opiumwet lab/opslaglocatie Rilland)
en/of
- in of omstreeks de periode van 19 juli 2019 tot en met 26 november 2019 te Bergen op Zoom en/of Steenbergen en/of Goes en/of Zierikzee en/of Nieuwerkerk en/of Renesse en/of Brouwershaven en/of Burgh-Haamstede althans in ieder gevalgemeente Schouwen-Duiveland en/of in Eindhoven en/of Vianen en/of in een of meer andere plaats(en) in Nederland met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 7] en/of een of meer (andere) perso(o)n(en) (criminele organisatie 11B Opiumwet "nieuwe locatie")
welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) het (telkens) plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid, 10A eerste lid van de Opiumwet, namelijk - het (telkens) bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of - het (telkens) buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of - het (telkens) plegen van voorbereidings - of bevorderingshandelingen zoals bedoeld in artikel 10A eerste lid van de Opiumwet; (artikel 11B Opiumwet)
2.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 3 juli 2019 te Esch, gemeente Haaren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een of meer middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (PRODUCTIE SYNTHETISCHE DRUGS AAN [adres 2] ) (artikel 2 jo. 10 Opiumwet)
EN/OF
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 3 juli 2019, althans op of omstreeks 3 juli 2019 te Esch, gemeente Haaren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
te weten het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (telkens) een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
voor te bereiden en/of te bevorderen - een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
en/of - zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen
en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van het/die delict(en), immers, heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) in voornoemde periode / op voornoemd tijdstip in voornoemde pleegplaats
- een (in werking zijnde) laboratorium-opstelling / productieplaats, althans (een) de(e)l(en) van een laboratorium-opstelling / productieplaats bedoeld/bestemd voor de productie/vervaardiging van 1-fenyl-2-propanon/benzylmethylketon, ook wel genaamd BMK en/of de omzetting van a-fenylacetoacetonitril/APAAN en/of APAA en/of MAPA naar/in 1-fenyl-2-propanon/benzylmethylketon (BMK)
en/of
- een (in werking zijnde) laboratorium-opstelling /productieplaats, althans (een) de(e)l(en) van een laboratorium-opstelling / productieplaats bedoeld/bestemd voor de productie/vervaardiging van N-formylamfetamine en/of amfetamine en/of tenamfetamine
en/of
- een (in werking zijnde) laboratoruim-opstelling / productieplaats, althans (een) de(e)l(en) van een laboratorium-opstelling / productieplaats bedoeld/bestemd voor de productie/vervaardiging van MDMA en/of N-ethyl-MDA (MDMA) (MDEA)
en/of
*(grote/aanzienlijke) hoeveelheden 1-fenyl-2-propanon, ook wel genaamd BMK (Benzylmethylketon) en/of *(grote/aanzienlijke) hoeveelheden a-fenylacetoacetonitril / APAAN en/of APAA en/of MAPA
en/of
*(grote/aanzienlijke) hoeveelheden (andere) chemicaliën en/of grondstoffen/hulpstoffen bestemd voor de productie/vervaardiging van 1-fenyl-2-propanon, ook wel genaamd BMK (Benzylmethylketon) en/of MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine en/of N-formylamfetamine, althans synthetische drugs
en/of
- een of meer productiemiddel(en) / voorwerp(en) bestemd voor de productie/vervaardiging van 1-fenyl-2-propanon / benzylmethylketon (BMK) en/of MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine en/of N-formylamfetamine, althans synthetische drugs,
voorhanden gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en); (DRUGSLAB(ORATORIA) EN GRONDSTOFFEN/PRODUCTIEMIDDELEN TBV DE PRODUCTIE VAN SYNTHETISCHE DRUGS AAN [adres 2] ) (artikel 10A Opiumwet)
3.hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 19 juli 2019, althans op of omstreeks 19 juli 2019 te Rilland, gemeente Reimerswaal, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (telkens) een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
voor te bereiden en/of te bevorderen - een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
en/of - zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen
en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van het/die delict(en),
immers, heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) in voornoemde periode / op voornoemd tijdstip in voornoemde pleegplaats
- een laboratorium-opstelling / productieplaats, althans (een) de(e)l(en) van een laboratorium-opstelling / productieplaats bedoeld/bestemd voor de productie/vervaardiging van MDMA en/of
- grote/aanzienlijke) (een) hoeveelhe(i)d(en) PMK (1,5 liter) en/of
- (grote/aanzienlijke) hoeveelheden (andere) chemicaliën en/of grondstoffen/hulpstoffen bestemd voor de productie/vervaardiging van MDMA, althans synthetische drugs, te weten methylamine (120,7 liter) en/of methanol (100 liter) en/of aceton (175 liter) en/of zoutzuur (170 liter) en/of
- een of meer productiemiddel(en) / voorwerp(en) bestemd voor de productie/vervaardiging van MDMA, althans synthetische drugs,
voorhanden gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en); (DRUGSLAB(ORATORIUM) EN GRONDSTOFFEN/PRODUCTIEMIDDELEN TBV DE PRODUCTIE VAN SYNTHETISCHE DRUGS AAN [adres 3] ) (art 10a Opiumwet)
4.hij op of omstreeks 19 juli 2019 te Rilland, gemeente Reimerswaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 422 gram MDMA (kristallen) en/of 0,6 liter MDMA olie, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een of meer middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (artikel 2 i.v.m. 10 Opiumwet)
De in de tenlastelegging voorkomende taal - en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feit 4
Het hof heeft, evenals de rechtbank, uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij in de periode van 29 mei 2019 tot en met 19 juli 2019 in na te noemen plaatsen heeft deelgenomen aan organisaties, welke organisaties bestonden uit samenwerkingsverbanden van hem, verdachte, en na te noemen personen, te weten
- in de periode van 13 juni 2019 tot en met 3 juli 2019 te Esch, gemeente Haaren, en/of te Bergen op Zoom en/of te Tiel en/of te Culemborg en/of Renesse en/of een of meer andere plaatsen in de gemeente Schouwen-Duiveland en/of elders in Nederland met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]
en
- in de periode van 29 mei 2019 tot en met 19 juli 2019 te Rilland, gemeente Reimerswaal, en/of te Bergen op Zoom en/of Renesse en/of Brouwershaven en/of Burgh-Haamstede en/of Oosterland en/of Serooskerke Schouwen, althans in de gemeente Schouwen-Duiveland en/of elders in Nederland, met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en een andere persoon
welke organisaties tot oogmerk hadden het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid, 10A eerste lid van de Opiumwet, namelijk - het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en - het plegen van voorbereidings - of bevorderingshandelingen zoals bedoeld in artikel 10A eerste lid van de Opiumwet; 2.hij in de periode van 13 juni 2019 tot en met 3 juli 2019 te Esch, gemeente Haaren, tezamen en in vereniging met anderen
opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet,
en
hij in de periode van 13 juni 2019 tot en met 3 juli 2019 te Esch, gemeente Haaren tezamen en in vereniging met anderen
om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een hoeveelheid amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
voor te bereiden en/of te bevorderen - voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die delicten,
immers, hebben hij, verdachte, en zijn mededaders in voornoemde periode in voornoemde pleegplaats
- een laboratoriumopstelling/productieplaats, bedoeld/bestemd voor de productie/vervaardiging van BMK en/of de omzetting van MAPA naar benzylmethylketon (BMK) en
- een laboratoriumopstelling/productieplaats, bedoeld/bestemd voor de productie/vervaardiging van amfetamine en
- hoeveelheden BMK (Benzylmethylketon) en
- hoeveelheden MAPA en
- hoeveelheden chemicaliën en grondstoffen/hulpstoffen bestemd voor de productie/vervaardiging van BMK (Benzylmethylketon) en amfetamine en
- productiemiddelen / voorwerpen bestemd voor de productie/vervaardiging van BMK en amfetamine,
voorhanden gehad;
3.hij in de periode van 29 mei 2019 tot en met 19 juli te Rilland, gemeente Reimerswaal, tezamen en in vereniging anderen
om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een hoeveelheid MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
voor te bereiden en/of te bevorderen - voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die delicten,
immers, hebben hij, verdachte, en zijn mededaders in voornoemde periode in voornoemde pleegplaats
- een laboratorium-opstelling / productieplaats, bedoeld/bestemd voor de productie/vervaardiging van MDMA en
- een hoeveelheid PMK en
- hoeveelheden chemicaliën en grondstoffen/hulpstoffen bestemd voor de productie/vervaardiging van MDMA, te weten methylamine en methanol en aceton en zoutzuur en
- productiemiddelen/voorwerpen bestemd voor de productie/vervaardiging van MDMA,
voorhanden gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Het hof neemt de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, opgenomen in Bijlage II bij het vonnis, over, die als hier herhaald en ingelast worden beschouwd, met uitzondering en aanvulling van het hiernavolgende:
De bewijsmiddelen 12.2, 12.3, 12.4, 12.5 worden geschrapt.
Bewijsmiddel 12.62 (het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] d.d. 7 november 2019, map 12, pagina's 2812-2824), wordt vervangen en komt als volgt te luiden:
(pagina 2815-2816)
P1: Wat was de reden dat je in deze woning aan [adres 3] sliep?
V: Ik had ruzie met mijn vader en stiefmoeder. Een vriend vroeg toen of ik bij hem kwam wonen.
P1: Wie is die vriend? (…) Hij heeft denk ik als voornaam [medeverdachte 6] , klopt dat?V: Klopt.
P1: En [medeverdachte 6] heeft ook het pand gehuurd?V: Ja klopt dat weet ik.
(pagina 2817)
P1: Moest je huur betalen?V: Nee.
(pagina 2819)
P1: Waar sliep jij in de woning?V: In de kamer naast de woonkamer. Op de begane grond.
P1: Je had het net over de deur waarlangs jij binnenkwam. Dat was bij het washok, dat klopt he?
V: Ja klopt.
P1: Daar troffen wij dit aan (bijlage 3 en 4 gelaatsmasker in de doos en een vacuümpomp en het gelaatsmasker uit de doos).
V: (verdachte lacht).
P1: Ik zie je lachen waarom?
V: Ja ik heb hem wel een zien staan in de bijkeuken het masker.
P1: Tot op heden is er enkel DNA van jou aangetroffen in de woning. Dit is op het
kussen en op verschillende sigarettenpeuken en joints. Ik laat je nu bijlage 5, 6 en 7
zien. Tonen we de foto's waarop DNA is aangetroffen. Dat is DNA op het hoofdkussen en op alle peuken in beide asbakken. Dat waren 19 peuken in totaal waarop allemaal DNA op zat. Op 10 andere peuken is geen DNA aangetroffen. Dus al het DNA wat is aangetroffen is van jou.
V: Dat kan.
(pagina 2820)
P1: Er werd een DNA-spoor van [medeverdachte 6] , veiliggesteld op een handschoen, welke werd aangetroffen in de schuur bij de woning [adres 3] . Ben jij ooit wel eens in dat schuurtje geweest?
V: Ooit.
(pagina 2821)
P1: Wat was jouw rol daar dan?
V: Ze vroegen of ik mee wilde doen met produceren.
P1: Je bent hier nu door andere naar toe gesleept. Zij hebben jou gevraagd om mee te doen in het lab voor een fooitje iets van 1000 of 2000 euro bijvoorbeeld?
V: 3000.
Bewijsmiddel 12.63 (het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 9 juli 2020), wordt vervangen en komt als volgt te luiden:
(pagina 29)
Rilland. Daar heb ik mee te maken. Ik had een draaier nodig voor in Rilland. (…)
(pagina 30)
(…) had ook geld nodig. Ik heb hem op voorhand geld gegeven. Hij zou dan MDMA gaan maken.
Vraag verbalisant P1: Hoe is dat Rilland verhaal gestart?
Antwoord [medeverdachte 1] : Er is iemand bij me gekomen, ik noem geen naam. Die wilde eigenlijk dat ik geld leende of investeerde om dat op te starten in Rilland. Ik ging erin mee en dat was Rilland een MDMA-locatie maken. (…)
Hij had een draaier nodig die het kon.
(pagina 31)
V: Wanneer ben jij benaderd door de persoon die jij niet wil noemen? Welke periode hebben we het dan over?A: 2018 of 2019. Misschien eind 2018. (…)
Ik heb zoveel geld getrokken en gedaan.
(pagina 36-38)
V: Als [medeverdachte 2] in het bos is geweest, komen daarna die andere jongens.
A: Ja, bij die andere ventjes.
V: Wie waren die jongens?A: [medeverdachte 6] en [verdachte] . [medeverdachte 6] en [verdachte] .
Het ging over Rilland. We hebben het erover gehad wanneer ze daar nou aan de bak zouden gaan.
Die ventjes hadden dus ook een aandeel in Rilland.
(pagina 39)
P1: en dan gaan we weg uit het boos. En dan? Spreek je ze dan nog? Zie je ze dan nog?V: Ja maar ook eigenlijk niet veel.
P1: Hoe had je met hun contact?V: Encro.
(pagina 41)
V: Waarom rijden zij, [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 2] , in een auto van [naam] waar jij een goede klant van bent, begrijp ik.
A: Ja man dat klopt.
V: Die jij dan ook nog betaalt.
A: De eerste keer heeft [medeverdachte 2] betaald.
V: Nou, de tweede keer.
A: Dat is mijn stommigheid. Ik breng die mensen aan voor [naam] en die zegt maar [medeverdachte 1] jij staat garant. Ik heb dat betaald.
(pagina 44)
[medeverdachte 6] en [verdachte] zijn een keer uit het lab bij mij thuis geweest. Rilland was er ook nog steeds want het was de bedoeling om daar iets te gaan doen.
(pagina 48)
En de huur heb ik betaald. Voor die woning. (…) Ik heb [medeverdachte 6] ook huur gegeven. Zo wist ik dat hij de locatie op zijn naam had.
(pagina 50)
V: Kort samengevat, jij bent de financierder van Rilland.
A: Ja.
P1: er is een persoon.
V: Ja mister X. Dat was de regelaar.
(pagina 51)
De locatie betaalde ik.
In het bos hoorde ik dat [medeverdachte 6] dat huis op naam had.
In bewijsmiddel 12.64 wordt geschrapt: "P1: en wie zou dat in dit geval regelen? V: [medeverdachte 2] ."
Bewijsmiddel 12.65 wordt geschrapt.
Verder vult het hof de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan met: - Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 3] ) d.d. 10 september 2019, map 23, pagina's 343-352, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(pagina 343)
Op 19 juli 2019 kwamen wij voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 3] , gemeente Reimerswaal.
(pagina 344)
Door het onderzoeksteam waren de volgende goederen gemarkeerd om veilig te stellen:
AALP3607ML Werkhandschoen op vloer schuur
Wij zagen dat deze werkhandschoen op de vloer van de schuur lag. De meerkleurige
werkhandschoen was licht vervuild. De handschoen werd door ons veiliggesteld.
(pagina 345)
AALP3597NL Kussensloop uit slaapkamer
Wij zagen in de slaapkamer op de begane grond in de woning een bed staan. Op dit bed lag onder meer een kussen, met daaromheen een kussensloop. Door ons werd deze kussensloop veiliggesteld.
(pagina 346)
Peuken uit asbak op salontafel.
Op de salontafel werd door het onderzoeksteam een asbak aangetroffen met daarin
meerdere peuken. Door ons werden de volgende voor aanvullend DNA-onderzoek in aanmerking komende peuken daaruit veiliggesteld:
AALP3602NL-peuk 1
AANC0831NL - peuk 2 t/m AANC0847NL-peuk 18
Peuken uit asbak op nachtkastje in slaapkamer
AALP3601NL - peuk 1
AANC0828NL t/m AANC0830NL - Het NFI-rapport 'DNA-onderzoek naar aanleiding van een maatwerkonderzoek gepleegd in Rilland op 19 juli 2019' d.d. 13 september 2019, map 23, pagina's 338-341, voor zover inhoudende:
(pagina 339)
Tabel overzicht opgenomen en vergeleken DNA-profielen
(pagina 340) - Het NFI-rapport 'Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een overtreding van de Opiumwet in Rilland op 19 juli 2019' d.d. 18 oktober 2019, map 23, pagina's 353-357, voor zover inhoudende: - Het proces-verbaal van bevindingen verkeersgegevens d.d. 24 september 2019, met bijlagen, map 23, pagina's 361-397, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
(pagina 361)
Door de officier van justitie werden de historische en toekomstige verkeersgegevens gevorderd van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit nummer is in gebruik bij [medeverdachte 7] .
Door KPN werden de verkeersgegevens geleverd.
Uit de gevorderde verkeersgegevens is gebleken dat de telefoon van [medeverdachte 7] gebruik heeft gemaakt van
Cell-ID's die gekoppeld zijn aan zendmasten op de locaties:
- Krabbendijke, Oude Rijksweg 13 en 13c;
- Rilland, A58 PP Het Rak 3, Oostelijke Schelderijnweg3°, Rijksweg A58, Valckenisseweg;
- Rilland, Westelijke Spuikanaalweg.
(pagina 362)
Het betreft contacten op de volgende data waaruit blijkt dat [medeverdachte 7] vermoedelijk op de locatie [adres 3] is geweest.
(pagina 363)
In de periodes dat [medeverdachte 7] aanwezig is op de locatie [adres 3] , heeft hij slechts 3 belcontacten. De overige contacten zijn uitsluitend dataverkeer.
Bijlage: overzicht van alle contacten over de zendmasten 1, 2 en 3 (pag. 363 t/m 397) - De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 mei 2024, voor zover inhoudende:
U houdt mij voor wat de rechtbank bewezen heeft verklaard.
Ik erken de feiten zoals deze bewezen zijn verklaard.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De rechtbank heeft – met weglating en verbetering van passages waarmee het hof zich niet verenigt en met enkele toevoegingen – onder meer het volgende vastgesteld en overwogen:
Met betrekking tot Esch
"Productie synthetische drugs
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op 3 juli 2019 in de kelder van
een pand aan [adres 2] een amfetaminelaboratorium werd aangetroffen. Door
het LFO en het NFI zijn rapporten opgesteld over de aangetroffen goederen en stoffen in het
lab en in aangrenzende ruimten. Het NFI heeft gerapporteerd dat in het lab sprake was van
twee productieprocessen: het vervaardigen van BMK en het vervaardigen van amfetamine.
Naar schatting zou het lab 186-254 kg onversneden amfetaminepasta hebben opgeleverd.
Het pand waar het lab in was gevestigd werd gehuurd door [medeverdachte 2] . In het lab werden
DNA-sporen aangetroffen van onder andere verdachte en [medeverdachte 4] . Verdachte blijkt samen met [medeverdachte 6] meerdere keren in het lab te zijn geweest en de rechtbank is van oordeel dat
kan worden vastgesteld dat zij samen met [medeverdachte 2] in het lab hebben geproduceerd. Ook
[medeverdachte 4] heeft zich volgens de rechtbank beziggehouden met het productieproces. Naar het
oordeel van de rechtbank is [medeverdachte 4] "de Duitser" waarover in de taps wordt gesproken.
Hij werd ingeschakeld op het moment dat er problemen waren in het lab die moesten
worden opgelost.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende bewijs bevat om te kunnen
concluderen dat ook verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de productie van amfetamine
in het lab in Esch. De betrokkenheid van verdachte baseert de rechtbank onder andere op de
tapgesprekken, de reisbewegingen van de (mede)verdachten en de verslagen van het
observatieteam zoals opgenomen in de bewijsbijlage.
Blijkens het dossier reed [medeverdachte 2] regelmatig naar het bedrijf van [medeverdachte 3] in Tiel en
zijn er door het observatieteam ontmoetingen tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waargenomen. Daarnaast zijn de tapgesprekken veelzeggend. De rechtbank is (…) van oordeel dat de tapgesprekken (…) over het lab in Esch gaan. De bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien geven een duidelijk beeld over hoe een en ander in de laatste dagen voor het aantreffen van het lab is verlopen. Uit de tapgesprekken kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] meedeelt dat het allemaal niet lekker loopt met de productie en ook dat hij wil stoppen met het lab. Vervolgens belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 5] (Noor). In dat gesprek wordt besproken dat [medeverdachte 2] wil stoppen met het lab, dat [medeverdachte 5] zal regelen dat de spullen worden opgehaald en dat daarvoor "de Duitser'' zal worden benaderd. Ook komt uit de gesprekken naar voren dat [medeverdachte 5] geld had gestoken in het lab in Esch en ook de zeggenschap had om te regelen dat het lab zou worden opgeruimd. [verbetering en toevoeging hof: Kort hierna belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] , om door te geven dat hij het heeft geregeld met [medeverdachte 5] en dat het lab zal worden opgeruimd. [medeverdachte 3] was daar op zijn beurt niet over te spreken. Hij reageert met: "Dikke lul. Dat gaat niet. Ik zorg wel dat ik die auto aan de loop krijg, dan hebben we morgen nog contact." Iets meer dan een uur later belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] , maar hij krijgt geen gehoor. Desondanks is te horen dat hij tegen een derde spreekt over [medeverdachte 2] die mogelijk al in de kelder hangt waardoor zij niet meer hoeven te delen. Een minuut later belt [medeverdachte 2] terug naar [medeverdachte 3] en praten zij weer (in versluierd taalgebruik) over hoe verder te handelen.]
[medeverdachte 4] rijdt vervolgens op 3 juli 2019 met de auto vanuit Culemborg via Tiel naar Esch.
Hoewel in de tapgesprekken soms in versluierd taalgebruik werd gesproken, is de rechtbank
van oordeel dat voldoende is gebleken dat de gesprekken gaan over het productieproces in
het laboratorium in Esch. Zo sluiten de bevindingen op 3 juli 2019 over het ontbreken van
de branders aan bij het gesprek dat er zich op 2 juli 2019 problemen voordeden. De
rechtbank is van oordeel dat de verklaring dat de gesprekken over een auto gingen die door
[medeverdachte 2] zou worden aangekocht ongeloofwaardig is. Immers blijkt [medeverdachte 3] niet te
weten over welke auto [medeverdachte 2] hem belt en blijkt uit de gesprekken juist dat [medeverdachte 2]
geld (…) vraagt. Bovendien is het niet aannemelijk dat [medeverdachte 5] een derde zou
regelen om een onderdeel te laten maken van een door [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] te
verkopen auto. [Toevoeging hof: Daar komt bij dat later die dag een telefoongesprek plaatsvindt tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] , waarbij door [medeverdachte 6] ondubbelzinnig over de productie van drugs in het lab te Esch wordt gesproken "De caustic moet worden aangemaakt toch?") en [medeverdachte 2] hem vervolgens erop aanspreekt dat er niet teveel over de telefoon moet worden gepraat. Verder memoreert het hof nog maar eens dat in de kelder van de woning van [medeverdachte 2] een amfetaminelab is aangetroffen en voorts overweegt het hof dat [medeverdachte 3] één dag eerder tegen [medeverdachte 2] zegt dat 'die Duitser' de koppakking komt maken. Met 'die Duitser' wordt gedoeld op [medeverdachte 4] , van wie op basis van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat hij actieve betrokkenheid had bij het lab (vide onder meer de foto's op zijn telefoon en zijn DNA op een mok in het lab).]
De rechtbank gaat er dan ook van uit dat bewoordingen als auto, koppakking en kast in de tapgesprekken verwijzen naar de laboratoriumopstelling in Esch.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met betrekking tot dit lab in Esch
gefungeerd als laborant. Daarmee vervulde verdachte een essentiële rol bij de productie van
amfetamine. (…) Vaststaat dat verdachte meerdere malen naar Esch is gegaan, dat dit steeds samen met [medeverdachte 6] is geweest en dat hij ook in het lab is geweest. Ook volgt uit de tapgesprekken dat "de jongens beneden zijn" en dat "ze moeten werken", zonder dat er aanwijzingen zijn dat op dat moment anderen dan [medeverdachte 6] en verdachte ter plaatse waren. Ook getuige [getuige] spreekt over een betrokkenheid van verdachte. (…)
Conclusie
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden
bewezen dat verdachte in de periode van [hof: 13 juni] 2019 tot en met 3 juli 2019 nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt en als medepleger betrokkenheid heeft gehad bij de
productie van amfetamine in het lab in Esch en de voorbereiding hieraan voorafgaand.
Met de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat, hoewel ter plaatse MDMA-resten zijn aangetroffen, het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat er
ook in de tenlastegelegde periode MDMA is geproduceerd. Verdachte zal van dit onderdeel
dan ook worden vrijgesproken.
Was er ook sprake van een criminele organisatie?
Om te kunnen spreken van een criminele organisatie is blijkens de jurisprudentie een aantal aspecten van belang. Vereist is dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband tussen twee of meer personen, met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad. Het oogmerk van de criminele organisatie dient te zijn gericht op het plegen van misdrijven. De deelnemers aan zo'n organisatie dienen niet ieder voor zich, maar in het verband van deze organisatie te participeren, zonder dat vereist is dat zij met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen. Een betrokkene moet weten - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - dat de organisatie het plegen van misdrijven in zijn algemeenheid tot het oogmerk heeft. Een betrokkene hoeft echter geen opzet te hebben gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven. Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is evenmin vereist.
Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van een misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand - en spandiensten. Daarbij geldt dat niet iedere bijdrage kan leiden tot het oordeel dat iemand deel uitmaakt van de organisatie. De bijdrage moet een zekere duur en intensiteit hebben.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in
onderling verband en samenhang bezien, dat er in de periode van [hof: 13 juni] 2019 tot en met 3 juli 2019 sprake is geweest van een gestructureerde samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde (…) lid van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet. De rechtbank kan op grond van de stukken vaststellen dat onder meer [medeverdachte 6] , verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] vanaf 13 juni 2019 en [medeverdachte 4] vanaf 28 juni 2019 deel uit hebben gemaakt van dit samenwerkingsverband.
(…)
De rechtbank overweegt dat uit de tapgesprekken volgt dat er sprake was van wederzijds
vertrouwen tussen de verdachten en dat er werd bemiddeld bij problemen. Er werd
samengewerkt om het productieproces in stand te houden en voort te zetten. Evenals bij de meeste legale organisaties was er sprake van een hiërarchische managementstructuur. Ieder had zijn eigen rol binnen het samenwerkingsverband. De investeerder en (mede) eindverantwoordelijke - [medeverdachte 5] - had de leiding op de achtergrond en werd ondersteund door een assistent - [medeverdachte 3] - . Die assistent onderhield contacten met de meewerkend voorman op de werkvloer - [medeverdachte 2] - en met de technische afdeling met kennis van het productieproces - [medeverdachte 4] - [toevoeging hof: en werd ingeschakeld als er problemen waren, kon blijkens zijn uitspraken toezeggingen doen over hoe die problemen op te lossen en had verder financiële inspraak en belangen.]. Tot slot waren er ook werknemers die net als de meewerkend voorman benodigdheden naar het lab vervoerden en daarnaast werkzaamheden verrichtten in het laboratorium - [medeverdachte 6] en verdachte-. Die structuur komt goed naar voren als de tapgesprekken [toevoeging hof: alsmede de ontmoetingen, reisbewegingen en aangetroffen sporen] in onderlinge samenhang worden bezien.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de omstandigheid dat bij een aantal verdachten
zogenaamde crypto-telefoons zijn aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat
dergelijke telefoons, waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd, veelvuldig
worden gebruikt in het criminele milieu. Daarnaast werd er door een aantal deelnemers van
het samenwerkingsverband afgesproken op openbare plaatsen [hof: zoals een parkeerterrein] of een bos, met de kennelijke bedoeling om zoveel mogelijk het risico te beperken dat hetgeen daar werd besproken bekend zou worden. Tot slot werd gebruik gemaakt van een "bedrijfsauto" die door [medeverdachte 2] was geleased maar die later ook door [medeverdachte 6] en [verdachte] werd gebruikt.
Het samenwerkingsverband tussen de verdachten had naar het oordeel van de rechtbank ook
een duurzaam karakter. Dit blijkt onder meer uit de intensiteit van de contacten in de
bewezenverklaarde periode en de inhoud van de tapgesprekken waaruit ook de eerder
omschreven rolverdeling blijkt. De inhoud van de gesprekken duidt niet op een eenmalig of
vluchtig contact. Zo weet [medeverdachte 2] in het gesprek op 2 juli 2019 met wie hij spreekt,
zonder dat [medeverdachte 5] hierbij zijn naam hoeft te noemen. Bij [medeverdachte 2] is ook bekend wie
door zijn gesprekspartners wordt bedoeld als zij spreken over "de Duitser". Daarnaast blijkt
uit de tapgesprekken dat de gesprekspartners steeds beschikken over achtergrondinformatie
om gericht vragen te kunnen stellen over de feitelijke situatie. De rechtbank maakt hieruit
op dat de verdachten elkaar kenden, dat ze al langere tijd samen bezig waren met het lab en
dat duidelijk was wie waar verantwoordelijk voor was.
Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat het samenwerkingsverband als een
organisatie kan worden aangemerkt met een gestructureerd en duurzaam karakter. Deze
organisatie had als oogmerk het produceren van amfetamine en uiteindelijk ook de verkoop
van deze drug om hiermee zichzelf te bevoordelen. De bijdrage die alle verdachten leverden
is naar het oordeel van de rechtbank ook van voldoende intensiteit en duur om hen zodoende
aan te merken als deelnemer van de organisatie.
Het bewijs van het opzet van de verdachten, zowel op de deelname aan de organisatie als op
het oogmerk van de organisatie, volgt reeds uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen over de rol
van de verdachten is overwogen.
Conclusie
Op grond van vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er in de
periode van [hof: 13 juni] 2019 tot en met 3 juli 2019 sprake was van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde (…) lid van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet, waar verdachte in die gehele periode onderdeel van uitmaakte.
Met betrekking tot Rilland
Opslag
Op 19 juli 2019 werden in de schuur en in de woning aan de [adres 3]
meerdere goederen en stoffen aangetroffen die gebruikt kunnen worden voor de productie
van MDMA. Door het LFO en het NFI zijn rapporten opgesteld over de aangetroffen
goederen en stoffen. Hieruit bleek dat alle onderdelen voor de productie van MDMA
aanwezig waren, maar dat de laboratoriumopstelling niet volledig was aangesloten. Er kon
dan ook op dat moment niet geproduceerd worden, maar de productie was wel zeer
eenvoudig op te starten. (…) De woning en de schuur aan de [adres 3] werden vanaf 1
februari 2019 gehuurd door [medeverdachte 6] . In de woning zijn DNA-sporen aangetroffen van
[medeverdachte 7] .
De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende bewijs bevat om te kunnen
concluderen dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de voorbereidingshandelingen voor
de productie van MDMA in Rilland.
[medeverdachte 6] heeft bekend dat hij de goederen en stoffen heeft opgeslagen in de schuur.
Hoewel er nog niet geproduceerd was, was het de bedoeling om ter plaatse MDMA te
produceren. [medeverdachte 7] heeft bekend dat hij enige tijd in de woning heeft verbleven. Dit
wordt bevestigd door het feit dat zijn telefoon vanaf 25 maart 2019 regelmatig aanstraalt op
zendmasten in de omgeving van [adres 3] . In een tapgesprek tussen [medeverdachte 7] en zijn
moeder heeft [medeverdachte 7] bevestigd dat hij ook heeft geholpen met opbouwen. [hof: Ook verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd met betrekking tot het tenlastegelegde.] Dit gebeurde in een periode waarin hij veel optrok met [medeverdachte 6] . Gedurende dezelfde periode was verdachte samen met [medeverdachte 6] betrokken bij de productie van amfetamine in de kelder van de woning van [medeverdachte 2] in Esch. (…)
Uit de tapgesprekken, de reisbewegingen van verdachten, de verslagen van de
observatieteams en de verklaringen van verdachten blijkt dat [medeverdachte 6] en verdachte
contact hadden met [hof: onder andere] [medeverdachte 1] (…). [medeverdachte 1] heeft op 29 mei 2019 een ontmoeting in het bos met verdachte, [medeverdachte 6] en [betrokkene 2] .[toevoeging hof: [medeverdachte 1] heeft verklaard dat dit gesprek ging over het lab in Rilland.]
Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien blijkt dat voornoemde personen
aanvankelijk onder leiding van mister X een MDMA-lab zouden opzetten op voornoemde locatie. [medeverdachte 1] heeft bekend dat hij de investeerder was van het op te zetten lab in Rilland. (…) [toevoeging hof: en dat hij op zoek ging naar iemand die het lab kon draaien en hij met [medeverdachte 6] en [verdachte] heeft besproken dat er iets uit moest komen.]
Conclusie
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden
bewezen dat verdachte nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt en als medepleger
betrokkenheid heeft gehad bij het treffen van voorbereidingshandelingen voor de productie
van synthetische drugs op de genoemde locatie. (…)
Was er ook sprake van een criminele organisatie?
Voor het toetsingskader van de criminele organisatie verwijst de rechtbank naar hetgeen
(…) hiervoor is overwogen.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in
onderling verband en samenhang bezien, dat er in de periode van 1 februari 2019 tot en met
19 juli 2019 sprake is geweest van een gestructureerde samenwerking gericht op het plegen
van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid van de Opiumwet en
artikel 10a van de Opiumwet. De rechtbank kan op grond van de stukken vaststellen dat
[medeverdachte 6] vanaf 1 februari 2019, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] vanaf 25 maart 2019 en verdachte vanaf 29 mei 2019 deel uit hebben gemaakt van dit samenwerkingsverband.
De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van verdachten in samenhang bezien met de
overige bewijsmiddelen blijkt dat er sprake was van wederzijds vertrouwen tussen
verdachten. (…) Daarnaast werd er door een aantal deelnemers van het samenwerkingsverband afgesproken op openbare plaatsen of in het bos, met de kennelijke bedoeling om zoveel mogelijk het risico te beperken dat hetgeen daar werd besproken [toevoeging hof: buiten de leden van het samenwerkingsverband] bekend zou worden.
Evenals bij legale organisaties was er sprake van een hiërarchische managementstructuur.
Ieder had zijn eigen rol binnen het samenwerkingsverband. [medeverdachte 1] was de investeerder en
degene die naar zijn zeggen de "draaier" heeft gezocht (…).
Hij was ook degene die in overleg (…) besloot welke soort drugs geproduceerd zou gaan worden. (…) [medeverdachte 6] regelde [toevoeging hof: en huurde op zijn naam] de locatie en zou naar de overtuiging van de rechtbank samen met verdachte verantwoordelijk zijn voor de daadwerkelijke productie. [Toevoeging hof: In de productieruimte (schuur) is ook een vervuilde werkhandschoen met daarop DNA-materiaal van [medeverdachte 6] aangetroffen.] Zij hebben de locatie in Rilland hiervoor grotendeels gereed gemaakt. Tot slot werd [medeverdachte 7] in de organisatie betrokken om te helpen met het opbouwen. Daarnaast heeft hij opgetreden als bewaker van de goederen en stoffen.
Het samenwerkingsverband tussen de verdachten had naar het oordeel van de rechtbank ook
een duurzaam karakter. De intensiteit van de contacten in de bewezenverklaarde periode
blijkt uit de waargenomen ontmoetingen, de tapgesprekken en alle reisbewegingen. Niet alle
verdachten hebben onderling direct contact gehad, maar dit is ook niet vereist voor de
bewezenverklaring van de criminele organisatie. Vastgesteld kan worden dat alle verdachten
in de verweten periode contact hebben gehad met in ieder geval een of meerdere andere
personen uit de organisatie met betrekking tot de opslag in Rilland. Deze contacten tussen
de verdachten kunnen gelet op hun duur en hetgeen verdachten erover verklaren niet als
vluchtig worden aangemerkt.
Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat het samenwerkingsverband als een
organisatie kan worden aangemerkt met een gestructureerd en duurzaam karakter. Deze
organisatie had als oogmerk het plegen van voorbereidings - of bevorderingshandelingen
zoals bedoeld in artikel 10a eerste lid van de Opiumwet. Deze voorbereidingshandelingen
hadden moeten leiden tot productie van synthetische drugs. (…) De bijdrage die verdachte leverde is naar het oordeel van de rechtbank ook van voldoende intensiteit en duur, waardoor hij kan worden aangemerkt als deelnemer van de organisatie.
Het bewijs van het opzet van de verdachten, zowel op de deelname aan de organisatie als op
het oogmerk van de organisatie, volgt uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen over de rol van
de verdachten is overwogen.
De rechtbank wijkt hierbij voor wat betreft de pleegperiode ten aanzien van verdachte af van
het standpunt van de officieren van justitie, omdat het dossier geen bewijs bevat dat
verdachte al eerder dan 29 mei 2019 betrokken was bij het gebeuren in Rilland. Nu evenmin
kan worden vastgesteld dat er na 19 juli 2019 met betrekking tot deze locatie nog strafbare
gedragingen hebben plaatsgevonden, zal de rechtbank de bewezenverklaarde periode in die
zin beperken.
Conclusie
Op grond van vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er in de
periode van 1 februari 2019 tot en met 19 juli 2019 sprake was van een criminele organisatie
die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid
van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet, waar verdachte gedurende de
periode van 29 mei 2019 tot en met 19 juli 2019 deel van uitmaakte."
Het hof neemt deze overwegingen van de rechtbank – voor zover geciteerd en met inachtneming van de aanpassingen/toevoegingen – over en maakt die tot de zijne.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
en
medeplegen van om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat geen sprake is van eendaadse samenloop van de onder 1 en 2 respectievelijk 1 en 3 bewezenverklaarde feiten.
Voor de eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.
Weliswaar kan met betrekking tot deze feiten worden gesteld dat deze op dezelfde tijd en plaats hebben plaatsgevonden, immers de Opiumwetdelicten zijn gepleegd in het kader van een criminele organisatie waar verdachte deel van uitmaakte, maar naar het oordeel van het hof hangen de bewezenverklaarde gedragingen niet zo nauw met elkaar samen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, waarbij het hof mede in aanmerking neemt de mate waarin de strekking van art. 2, onder B, Opiumwet (alsmede de in art. 10a Opiumwet strafbaar gestelde voorbereidingshandelingen met betrekking tot artikel 2, onder B) en art. 11b Opiumwet uiteenlopen (vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1113 en par. 59 t/m 63 van de bijbehorende conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:489). Het hof is derhalve van oordeel dat met betrekking tot de onder 1 en 2 respectievelijk 1 en 3 bewezenverklaarde feiten sprake is van meerdaadse samenloop als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met het produceren van amfetamine en BMK in een professioneel ingericht drugslab te Esch. In dat verband heeft de verdachte zich voorts schuldig gemaakt aan het medeplegen van het produceren van amfetamine en aan voorbereidingshandelingen (feiten 1 en 2). Daarnaast heeft verdachte deelgenomen aan een (andere) criminele organisatie die zich bezighield met het produceren van MDMA en in dat verband heeft verdachte zich voorts schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen (feiten 1 en 3).
De verdachte heeft daarmee geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van het milieu en de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de gezondheid van de gebruikers, maar ook vanwege het feit dat de handel in en het gebruik van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van andere (zware) criminaliteit. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, vanwege hun misdadige oogmerk en de winsten die dergelijke organisaties maken, waarover geen belasting wordt betaald en welke weer in de legale bovenwereld geïnvesteerd worden. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.
Verder heeft het hof in het nadeel van verdachte acht geslagen op het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2024. Daaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Daaronder bevindt zich een veroordeling ter zake van de Opiumwet en verder betreffen het voornamelijk veroordelingen voor gewelds - en vermogensdelicten. Bovendien liep de verdachte, zoals hieronder zal worden besproken, tijdens het plegen van onderhavige feiten nog in de proeftijd van twee eerdere veroordelingen waar deels voorwaardelijke straffen waren opgelegd. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan ernstige strafbare feiten.
Wel houdt het hof rekening met het feit dat verdachte binnen de criminele organisatie(s) een uitvoerende rol had. Hij was degene die opbouwde en/of in de labs aan het werk was. Verdachte kan niet worden aangemerkt als investeerder of opdrachtgever van de labs die binnen de criminele organisatie(s) werden geëxploiteerd, terwijl hij wel meer (strafrechtelijke en gezondheids-) risico's liep dan de deelnemers hoger in rang van de criminele organisatie. Het hof is van oordeel dat er om die reden bij de hoogte van de straf onderscheid moet worden gemaakt tussen verdachten met een voornamelijk uitvoerende rol en verdachten die hoger in de boom van de organisatie zaten.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor forse duur met zich brengt. De door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van voorarrest, acht het hof gelet op de ernst van de feiten een goed uitgangspunt.
In het voordeel van verdachte heeft het hof echter gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Het tenlastegelegde dateert inmiddels van ongeveer 5 jaar geleden en verdachte woont thans samen en heeft een eigen bedrijf in zonnepanelen dat goed loopt. Verder komt uit het eind evaluatieverslag van de reclassering d.d. 11 juli 2023 naar voren dat de reclassering positief is over de verandering die verdachte heeft doorgemaakt en dat zijn situatie op alle leefgebieden al langere tijd stabiel en rustig is. De reclassering ziet om die reden ook geen meerwaarde meer in het nog langer voortzetten van het reclasseringstoezicht dat in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis liep.
Gelet op voornoemde omstandigheden zal het hof een lagere gevangenisstraf opleggen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof wil de positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte niet doorkruisen door het opleggen van een straf die opnieuw langdurige detentie zou inhouden. Het hof zal om die reden een lagere gevangenisstraf opleggen dan de rechtbank heeft gedaan.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, in beginsel passend en geboden.
Voor verdere matiging van de straf op basis van de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet het hof, gelet op de ernst van de feiten, geen ruimte.
Het hof overweegt met betrekking tot de redelijke termijn het volgende.
In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.
Aangezien de verdachte een deel van de procedure in hoger beroep in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, geldt – in elk geval voor dat deel - als uitgangspunt dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden na het instellen van het hoger beroep.
Namens de verdachte is op 1 mei 2021 hoger beroep ingesteld, op 4 mei 2021 gevolgd door het instellen van appel door het Openbaar Ministerie. Het hof wijst op 20 juni 2024 arrest. Hoewel sprake is van een omvangrijk onderzoek met een groot aantal medeverdachten en er in hoger beroep getuigen door de raadsheer-commissaris zijn gehoord en er op verzoek van de verdediging nader onderzoek is verricht, is het hof van oordeel dat die omstandigheden niet het gehele tijdsverloop kunnen verklaren. Van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen is niet gebleken. Er is derhalve sprake van een schending van de redelijke termijn.
Het hof zal de op te leggen gevangenisstraf gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn met 6 maanden matigen. Het hof zal de verdachte derhalve veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis van verdachte is bij beschikking van 9 juni 2022 per 10 juni 2022 geschorst tot aan de datum van de einduitspraak.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.
Het hof acht termen aanwezig om het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Mitsdien zal het hof hierna overeenkomstig beslissen.
Beslag
Het hof zal, evenals de rechtbank, de teruggave aan [betrokkene 1] gelasten van de onder verdachte inbeslaggenomen Rolex horloges, omdat deze [betrokkene 1] redelijkerwijs als rechthebbende van deze voorwerpen kan worden aangemerkt.
Vorderingen tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 27 september 2018 onder parketnummer 02-820090-18 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen.
Tevens heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van een bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 30 maart 2018 onder parketnummer 02-821452-16 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 151 dagen. Deze vorderingen zijn in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van deze vorderingen tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijden wederom aan strafbare feiten schuldig heeft gemaakt, in beginsel de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen dient te worden gelast.
Echter op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde ter terechtzitting is gebleken zal het hof in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van voormelde voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen, ten aanzien van beide vorderingen een taakstraf te gelasten voor de duur van elk 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het tegen de verdachte verleende en reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
Gelast de teruggave aan [betrokkene 1] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - Horloge, merk Rolex, model Sky Dweller, goudkleurig (IBN-code/voorwerpnummer: 4318EW7.04.01.001/571398); - Horloge, merk Rolex, model Sky Dweller, met zwart leren band (IBN-code/voorwerpnummer: 4318EW7.04.01.002/571399); - Horloge, merk Rolex, met bruine leren band (IBN-code/voorwerpnummer: 4318EW7.04.01.003/571400).
Beveelt in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Breda van met parketnummer 02-821452-16, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 151 dagen met een proeftijd van 3 jaren, een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Breda van met parketnummer 02-820090-18, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met een proeftijd van 3 jaren, een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. F. van Es, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier,
en op 20 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. F van Es is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.