Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:257 - Gerechtshof Den Haag - 3 februari 2026

Arrest

ECLI:NL:GHDHA:2026:2573 februari 2026

Arrest inhoud

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.355.874/01
Zaak - en rekestnummer rechtbank : 11453660 VZ VERZ 24-10377
Beschikking van 10 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats],
verzoeker,
advocaat: mr. T. Harmankaya, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[verweerder] h.o.d.n. [handelsnaam],
gevestigd in [vestigingsplaats],
verweerder,
advocaat: mr. M.C.V. Dornstedt, kantoorhoudend in Hellevoetsluis,
en
[bedrijf] B.V.,
gevestigd in Nieuwerkerk aan den IJssel,
verweerster.
Het hof noemt partijen hierna [verzoeker], [verweerder] en RS B.V.

1 De zaak in het kort

1.1 [verzoeker] is werkzaam geweest bij [verweerder] op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar. [verweerder] heeft de arbeidsovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd wegens dwaling; [verzoeker] ontslagen op staande voet, voor zover in rechte zou komen vast te staan dat de vernietiging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig was, en hem aangezegd dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd, voor het geval ook het ontslag in rechte geen stand zou houden. Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] zijn arbeidsovereenkomst ten onrechte beëindigd. Hij heeft diverse verzoeken ingediend die daarop gebaseerd zijn. [verweerder] heeft voorwaardelijk verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
1.2 De kantonrechter heeft [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken omdat hij de verkeerde partij in rechte zou hebben betrokken, namelijk RS B.V. in plaats van [verweerder], [verzoeker] veroordeeld in de proceskosten, en al het andere afgewezen.
1.3 Het hof vernietigt de beschikking van de kantonrechter en wijst de (subsidiaire) verzoeken van [verzoeker] grotendeels toe. Aan behandeling van het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [verweerder] komt het hof niet toe.

2 Procesverloop in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 19 juni 2025, is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van de mondelinge uitspraak (hierna: de beschikking) van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (hierna: de kantonrechter) van 27 maart 2025.
2.2 [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend dat op 12 september 2025 is ontvangen ter griffie van het hof.
2.3 Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 3 december 2025. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

3 Feitelijke achtergrond

Tussen partijen staat het volgende vast.
3.1 [verzoeker] is vanaf 22 juli 2024 werkzaam geweest bij [verweerder] als support engineer op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar tegen een salaris van € 3.100, - bruto per maand exclusief vakantiebijslag.
3.2 Op 30 september 2024 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld.
3.3 Op 10 oktober 2024 is [verzoeker] gezien door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft [verweerder] daarna onder meer bericht dat [verzoeker] gedurende minimaal twee maanden niet mocht autorijden, dat hij de komende zes weken geen significante verbetering in de belastbaarheid van [verzoeker] verwachtte en dat hij volledig herstel verwachtte op een termijn van drie tot zes maanden.
3.4 Per brief van 15 oktober 2024 heeft [verweerder] aan [verzoeker] de volgende vragen gesteld, waarop binnen een week na dagtekening van de brief antwoord werd verwacht:
"(…)
  1. Waarom heeft u ter gelegenheid van uw sollicitatie bij ons de indruk gewekt dat u beschikt over de kwaliteiten die nodig zijn om de functie van Support Engineer te vervullen?
  1. Waarom meent u dat uw belastbaarheid (en de ernstige beperking daarin) zou kunnen meebrengen dat u (tóch) de functie van Support Engineer op het goede niveau kunt vervullen?
  1. Waarom heeft u op uw curriculum vitae vermeld dat u beschikt over het bewuste certificaat zonder dat dat het geval was (wat u wist of had kunnen weten)?
  1. Meent u dat - met het oog op uw taken en verantwoordelijkheden - u uw levensstijl zou moeten aanpassen zodat u fris op het werk verschijnt en uw taken kunt oppakken (wat, zoveel is gebleken, niet het geval is)? In dat verband verwijzen we voor zover nodig naar artikel 11, lid 2 van de controlevoorschriften bij ziekte die op de arbeidsovereenkomst tussen ons van toepassing zijn verklaard (en waarvoor u heeft getekend).
  1. Welke acties en ondersteuning door ons zijn behulpzaam om bovenstaande vragen positief te beantwoorden en , samen met u, te kijken naar dat u op uw curriculum vitae onwaarheid hebt gesproken en in ieder geval op dit moment niet de bekwaamheid en geschiktheid blijkt te hebben om - na uw herstel - taken en verantwoordelijkheden weer op te pakken? Bent u bereid om mee te werken aan een belastbaarheidsonderzoek, afgezet tegen enerzijds de functie-eisen en anderzijds uw competenties, een en ander in afstemming met de bedrijfsarts en zonodig met het UWV?
(…)"
3.5 Op verzoek van [verzoeker] hebben [verweerder] en [verzoeker] op 11 november 2024 gesproken over zijn medische problemen en zijn (on)geschiktheid voor zijn functie. [verzoeker] heeft [verweerder] in dat gesprek onder meer verteld dat hij in 2019 is gediagnosticeerd met slaapapneu, dat hij hiervan eerder geen ernstige belemmeringen had ondervonden bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden, maar dat de slaapapneu volgens de bedrijfsarts inmiddels leek te zijn verergerd.
3.6 [verweerder] heeft per brief van 19 november 2024 de arbeidsovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk vernietigd wegens dwaling; [verzoeker] ontslagen op staande voet, voor zover in rechte zou komen vast te staan dat de vernietiging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig was, en hem aangezegd dat de arbeidsovereenkomst na 21 juli 2025 niet zou worden verlengd, voor het geval ook het ontslag in rechte geen stand zou houden.

4 Procedure bij de rechtbank

4.1 Bij verzoekschrift van 17 december 2024 heeft [verzoeker] de kantonrechter verzocht, zakelijk weergegeven:
primair:
a. voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst ten onrechte buitengerechtelijk
is vernietigd door [verweerder], dat deze nog steeds voortduurt en dat [verzoeker] onverkort
aanspraak heeft op loon;
b. [verweerder] te veroordelen tot (door)betaling aan [verzoeker] van (achterstallig) salaris c.a. vanaf 1 november 2024 tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd, met wettelijke verhoging en wettelijke rente;
een en ander met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure, met wettelijke rente;
subsidiair
[verweerder] te veroordelen tot het betalen aan [verzoeker] van:
a. een billijke vergoeding van € 43.400,-, met wettelijke rente;
b. een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 4.236.67 bruto, met wettelijke rente;
c. achterstallig salaris met emolumenten vanaf 1 november 2024 totdat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd, met wettelijke verhoging en wettelijke rente;
d. een transitievergoeding van € 602,78 bruto, met wettelijke rente;
een en ander met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure, met wettelijke rente.
4.2 [verweerder] heeft op zijn beurt, zakelijk weergegeven, voorwaardelijk verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden voor het geval in rechte onherroepelijk komt vast te staan dat er tussen partijen nog steeds een arbeidsovereenkomst bestaat, althans te bepalen dat een eventuele voorwaardelijke transitievergoeding eerst opeisbaar zal zijn nadat in rechte onherroepelijk komt vast te staan dat er tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat, met veroordeling van [verzoeker] tot (terug)betaling van het onverschuldigde loon ad € 2.449,97 netto.
4.3 De kantonrechter heeft [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken omdat hij de verkeerde partij in rechte heeft betrokken, namelijk RS B.V. in plaats van [verweerder], [verzoeker] veroordeeld in de proceskosten, en al het andere afgewezen.

5 Verzoek in hoger beroep

5.1 [verzoeker] verzoekt, zakelijk weergegeven, om de beschikking te vernietigen en hem ontvankelijk te verklaren in zijn subsidiaire verzoeken, die verzoeken toe te wijzen, en – voorwaardelijk – zijn rectificatieverzoek toe te staan, waarbij [bedrijf] B.V. dient te worden gewijzigd in [handelsnaam] (de eenmanszaak van de heer [verweerder]), indien dit rectificatieverzoek alsnog had dienen plaats te vinden of strikt noodzakelijk zou zijn; een en ander met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure in beide instanties, met nakosten.
5.2 Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verzoeker] zijn primaire verzoeken ingetrokken.
5.3 Kort gezegd zien de bezwaren van [verzoeker] tegen de beschikking op het volgende. Volgens [verzoeker] was in zijn inleidend verzoekschrift evident sprake van een kennelijke verschrijving of vergissing, die voor [verweerder] en voor de kantonrechter kenbaar was en waardoor [verweerder] in geen enkel opzicht in zijn belangen is geschaad (de grieven I, II en III). De kantonrechter heeft bij de beoordeling daarvan een onjuist juridisch kader gehanteerd (grief IV). De kantonrechter heeft [verzoeker] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard gezien de zeer verstrekkende gevolgen daarvan wegens de vervaltermijnen in het arbeidsrecht (grief V, het hof leest: VI). Voor zover nodig verzoekt [verzoeker] alsnog om rectificatie van de partijaanduiding toe te staan (grief IV, het hof leest: V).
5.4 [verweerder] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker], tot verwerping van alle grieven en afwijzing van alle verzoeken; een en ander met veroordeling van [verzoeker] tot betaling van de kosten van de procedure in beide instanties. [verweerder] gaat daarbij uit van zijn werkelijke advocaatkosten, omdat volgens hem sprake is van misbruik van procesrecht door [verzoeker].

6 Beoordeling in hoger beroep

6.1 Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] ontvankelijk is in zijn verzoeken, zowel in hoger beroep als in de procedure bij de kantonrechter. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
In de procedure in hoger beroep
6.2 [verweerder] heeft allereerst tot zijn verweer aangevoerd dat [verzoeker] in hoger beroep niet-ontvankelijk is, omdat hij feitelijk hoger beroep instelt tegen [verweerder] terwijl de kantonrechter [verweerder] niet als procespartij heeft aangemerkt. Op grond van artikel 322 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kunnen slechts partijen bij de procedure in eerste aanleg hoger beroep instellen en in hoger beroep worden gedagvaard, en dit artikel is ook van toepassing in verzoekschriftprocedures op grond van artikel 362 Rv, aldus [verweerder].
6.3 Dit beroep op niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. Artikel 359 Rv bepaalt immers, voor zover thans van belang, dat het beroepschrift in een verzoekschriftprocedure de naam en woonplaats vermeldt van hen die in eerste aanleg zijn verschenen of bij name zijn opgeroepen. [verzoeker] heeft in zijn beroepschrift vermeld dat het beroepschrift feitelijk is gericht tegen [verweerder], gevestigd te Nieuwerkerk aan den IJssel, en - puur vanwege formele redenen - tegen de niet-bestaande besloten vennootschap R.S. B.V. [verweerder] is verschenen in de procedure in eerste aanleg en R.S. B.V. is bij name opgeroepen door de kantonrechter. Gezien artikel 359 Rv heeft [verzoeker] dus terecht zowel [verweerder] als R.S. B.V. vermeld in zijn beroepschrift.
In de procedure bij de kantonrechter
6.4 Dan dient te worden beoordeeld of [verzoeker] door de kantonrechter op goede gronden niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoeken omdat hij de verkeerde partij in rechte heeft betrokken.
6.5 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in dagvaardingszaken kan een vergissing in de partijaanduiding door een rectificatie worden hersteld indien (a) de vergissing onder de gegeven omstandigheden voor de processuele wederpartij kenbaar was, (b) de wederpartij door de vergissing en de rectificatie daarvan niet is benadeeld of in haar verdediging geschaad, en (c) de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden (zie onder meer HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4765). Met herstel van louter formele fouten mogen in de regel geen materiële belangen van de wederpartij worden geschaad (zie HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881). Het hof gaat ervan uit dat deze jurisprudentie van overeenkomstige toepassing is in verzoekschriftprocedures.
6.6 [verweerder] werd vanaf medio oktober 2024 (vergelijk productie 1 bij het verweerschrift in hoger beroep) bijgestaan door zijn advocaat-gemachtigde en wist, althans moet hebben begrepen, dat het inleidend verzoekschrift van [verzoeker] tot hem gericht was. Dit blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden:
Van verwarring bij of benadeling van [verweerder] kan in het licht van het voorgaande niet worden gesproken en [verweerder] is in zijn verdediging niet geschaad door de onjuiste tenaamstelling in het inleidend verzoekschrift. Namens [verzoeker] is tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter bovendien toegelicht dat het om een kennelijke verschrijving gaat en dat in het inleidend verzoekschrift per abuis "B.V." achter [bedrijf] is geplaatst. Dit kan naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan als een - in het licht van de hiervoor opgesomde feiten en omstandigheden - tijdige rectificatie.
6.7 Een in rechte te respecteren belang bij het beroep van [verweerder] op de aanvankelijk onjuiste tenaamstelling ontbreekt dan ook, zodat het beroep op niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen. [verweerder] moet daarom vanaf het begin worden beschouwd als de materiële wederpartij en aan behandeling van het voorwaardelijke verzoek tot rectificatie in hoger beroep van [verzoeker] (grief IV) wordt niet toegekomen. De overige grieven slagen en de beschikking zal worden vernietigd.
De buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens dwaling is niet rechtsgeldig
6.8 Vervolgens dient te worden beoordeeld of de buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens dwaling stand houdt.
6.9 [verweerder] heeft in zijn brief aan [verzoeker] van 19 november 2024 hierover het volgende geschreven:
"(…) Vaststaat dat u de mededelingsplicht heeft geschonden omdat u relevante medische informatie heeft verzwegen. Daarnaast heeft u ons tijdens de sollicitatieprocedure een verkeerde voorstelling van zaken gegeven (om niet te zeggen: misleid) van uw eigenschappen, kennis en vaardigheden.
Daarmee is de arbeidsovereenkomst geheel nutteloos geworden omdat de bedongen arbeid niet kan worden uitgevoerd vanwege uw medische aandoening (waarbij u geen auto kunt rijden zo lang uw medische aandoening niet met succes is behandeld) en de gebleken ongeschiktheid om de functie naar behoren te kunnen uitvoeren.
Indien u:
ons zou hebben laten weten dat u lijdt aan een ernstige vorm van slaapapneu;
ons zou hebben verteld welke beperkingen die aandoening met zich meebrengt
in relatie tot het verrichten van werk;
ons naar waarheid zou hebben geïnformeerd over uw eigenschappen, kennis en
vaardigheden
dan waren wij de arbeidsovereenkomst niet met u aangegaan.
Omdat u niet heeft voldaan aan de mededelingsplicht en ons een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven, hebben wij gedwaald en vernietigen wij op die grond de arbeidsovereenkomst met u. (…)"
6.10 Een overeenkomst die tot stand gekomen is onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is onder meer vernietigbaar indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten. De mogelijkheid van buitengerechtelijke vernietiging van een arbeidsovereenkomst door een werkgever op grond van wilsgebreken zoals dwaling is in het arbeidsrecht niet uitgesloten (zie HR 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:213, met conclusie van R.H. de Bock, ECLI:NL:PHR:2019:1067), tenzij dit in strijd moet worden geacht met het systeem of de strekking van het ontslagrecht, en dan met name de beschermingsgedachte die daaraan ten grondslag ligt. Een werknemer die een dergelijke dwaling bij de werkgever heeft veroorzaakt bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst wordt niet beschermd door het arbeidsrecht.
6.11 De arbeidsovereenkomst is in dit geval naar het oordeel van het hof niet rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd, omdat [verweerder] onvoldoende heeft onderbouwd (1) dat [verzoeker] ten tijde van het aangaan daarvan wist of kon weten dat hij wegens zijn slaapapneu de overeengekomen werkzaamheden niet zou kunnen verrichten en dat voor [verweerder] heeft verzwegen, en (2) dat [verzoeker] hem een verkeerde voorstelling heeft gegeven van zijn eigenschappen, kennis en vaardigheden, gelet op het gemotiveerde verweer van [verzoeker]. Het hof overweegt daarover het volgende.
6.12 [verzoeker] heeft gemotiveerd betwist dat hij ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst wist of kon weten dat hij wegens zijn slaapapneu de overeengekomen werkzaamheden niet zou kunnen verrichten. [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat hij bij zijn vorige werkgever(s), waar hij fulltime heeft gewerkt, naar behoren heeft gefunctioneerd. Volgens [verzoeker] is de diagnose slaapapneu weliswaar al in 2019 gesteld, maar had hij daar eerder geen ernstige hinder van in zijn dagelijkse functioneren. De slaapapneu is pas gedurende het dienstverband met [verweerder] verslechterd, aldus [verzoeker].
6.13 [verzoeker] heeft eveneens gemotiveerd betwist dat hij niet zou beschikken over de nodige capaciteiten en vaardigheden voor de functie van support engineer bij [verweerder]. [verzoeker] heeft gesteld dat hij op zijn curriculum vitae (cv) eerlijk opgave heeft gedaan van zijn kennis en (werk-)ervaring. [verweerder] heeft er terecht op gewezen dat het certificaat ITIL V3, dat [verzoeker] op zijn cv heeft vermeld, is verlopen. [verzoeker] heeft toegelicht dat hij dit certificaat heeft behaald in 2021 en dat het certificaat inmiddels is verlopen omdat het een beperkte geldigheidsduur heeft. [verzoeker] heeft echter tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep onweersproken aangevoerd dat hij inmiddels het certificaat ITIL V4 heeft behaald, en dat dat een vernieuwde cursus is die beter aansluit bij de ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden in de IT-wereld. [verweerder] heeft overigens volgens [verzoeker] pas opmerkingen gemaakt over zijn veronderstelde disfunctioneren nadat [verzoeker] zich had ziek gemeld. Bovendien stelt [verzoeker] dat hij nooit goed is ingewerkt doordat collega Van den Heuvel afwezig was en [verweerder] te druk was om [verzoeker] in te werken.
6.14 [verweerder] heeft zijn standpunt dat [verzoeker] niet heeft voldaan aan zijn mededelingsplicht vervolgens niet nader onderbouwd. Daardoor is niet komen vast te staan dat [verzoeker] wist of kon weten ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst dat zijn gezondheidstoestand zodanig was dat hij de overeengekomen werkzaamheden niet zou kunnen uitvoeren en dat hij [verweerder] daarover had moeten inlichten. Ook is niet komen vast te staan dat [verzoeker] [verweerder] niet naar waarheid heeft geïnformeerd over zijn eigenschappen, kennis en vaardigheden. [verweerder] heeft zijn opmerkingen over discrepanties tussen de vermelde werkgevers op het cv van [verzoeker] en diens uitlatingen daarover in het gesprek op 11 november 2024 niet opgenomen als ontslaggrond in de ontslagbrief van 19 november 2024, zodat dit geen rol speelt in de beoordeling van de dwaling en, hierna, of sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Desalniettemin merkt het hof op dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep onweersproken heeft toegelicht dat hij in het verleden werkzaam is geweest bij een detacheringsbureau en door dat bureau werd uitgezonden naar verschillende werkgevers. De conclusie moet zijn dat de buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens dwaling gezien het voorgaande niet rechtsgeldig is.
Het ontslag op staande voet is evenmin rechtsgeldig
6.15 Vervolgens dient te worden beoordeeld of [verzoeker] op goede gronden op staande voet is ontslagen.
6.16 [verweerder] heeft in zijn brief aan [verzoeker] van 19 november 2024 hierover het volgende geschreven:
"(…) Voor zover in rechte zou komen vast te staan dat de vernietiging van de
arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig zou zijn, zeggen wij bij deze de
arbeidsovereenkomst met u op, dit met onmiddellijke ingang. De in deze brief
beschreven feiten en omstandigheden leveren een dringende reden op voor een
ontslag op staande voet. Wij zeggen u dat ontslag bij deze (subsidiair) aan. (…)"
6.17 Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is een dringende reden vereist die onverwijld aan de wederpartij wordt medegedeeld. Als dringende redenen voor de werkgever worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst langer te laten voortduren.
6.18 Aangezien niet is komen vast te staan dat [verzoeker] niet heeft voldaan aan zijn mededelingsplicht, zoals hiervoor in 6.11 tot en met 6.14 is overwogen, is geen sprake van een onverwijld medegedeelde, dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Het ontslag op staande voet van [verzoeker] is daarom evenmin rechtsgeldig.
6.19 Omdat [verzoeker] zijn primaire verzoeken heeft ingetrokken, dient hierna alleen nog te worden beoordeeld of [verzoeker] recht heeft op toekenning van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, achterstallig salaris, een transitievergoeding en een billijke vergoeding.
[verzoeker] heeft recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging
6.20 Nu het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is geoordeeld, zal de verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging worden toegewezen. [verweerder] heeft hiertegen geen zelfstandig verweer gevoerd. [verweerder] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.236,67 bruto. Dit is gelijk aan het bedrag van het brutoloon over de periode van 19 november 2024 tot en met 31 december 2024, de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, vergelijk artikel 7:672 lid 11 BW. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding zal eveneens worden toegewezen.
[verzoeker] heeft recht op achterstallig salaris
6.21 [verzoeker] heeft aanspraak gemaakt op achterstallig salaris met emolumenten over de periode van 1 november 2024 tot 19 november 2024. Aan het verweer van [verweerder] dat hij niet verplicht was om het salaris tijdens ziekte door te betalen, omdat zou zijn gebleken dat [verzoeker] (arbeids-)ongeschikt is voor de functie en dit heeft verzwegen tijdens zijn sollicitatie, gaat het hof voorbij gelet op wat daarover in het voorgaande is overwogen. [verweerder] heeft - zonder nadere toelichting - verzocht om de wettelijke verhoging te matigen. Het hof ziet echter geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen. [verweerder] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van het salaris met emolumenten over de periode van 1 november 2024 tot 19 november 2024, te vermeerderen met 50 procent wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 30 november 2024 tot de datum van de gehele betaling.
[verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding
6.22 [verzoeker] heeft verzocht [verweerder] te veroordelen tot betaling van een wettelijke transitievergoeding ter hoogte van € 602,78 bruto of een door het hof te bepalen bedrag. [verweerder] heeft tot zijn verweer aangevoerd dat geen transitievergoeding verschuldigd is omdat de arbeidsovereenkomst is geëindigd als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker]. [verweerder] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van het door [verzoeker] verzochte bedrag. Nu uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de kant van [verzoeker], zal het hof het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van deze vergoeding toewijzen. Het hof moet de hoogte van de transitievergoeding ambtshalve berekenen. Volgens de berekening van het hof bedraagt de door [verweerder] verschuldigde transitievergoeding € 368, - bruto. Dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, die, anders dan verzocht, gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 1, tweede volzin BW zal worden toegewezen met ingang van 19 december 2024 tot de dag van de gehele betaling.
[verzoeker] heeft recht op een billijke vergoeding
6.23 [verweerder] heeft naar het oordeel van het hof ernstig verwijtbaar gehandeld ten opzichte van [verzoeker]. Allereerst heeft [verweerder] [verzoeker] kort na diens ziekmelding per brief van 15 oktober 2024 en in het gesprek tussen partijen op 11 november 2024 ongefundeerd verweten dat hij bij zijn sollicitatie zou hebben verzwegen dat hij door zijn ziekte ongeschikt was voor de functie en dat hij op zijn cv ten onrechte zou hebben vermeld dat hij over een certificaat beschikt. [verweerder] heeft door zo te handelen in ernstige mate zijn re-integratieverplichtingen tijdens ziekte veronachtzaamd. Kort daarna heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst met een beroep op dwaling buitengerechtelijk ontbonden en [verzoeker] bovendien op staande voet ontslagen zonder daaraan een geldige dringende reden ten grondslag te leggen. Een niet rechtsgeldig gebleken ontslag op staande voet is op zichzelf al ernstig verwijtbaar. Het gedrag van [verweerder] kan moeilijk anders worden geduid dan als een poging om onder zijn (betalings - en re-integratie-)verplichtingen jegens zijn zieke werknemer uit te komen. Het hof ziet daarin aanleiding om aan [verzoeker] ten laste van [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen.
6.24 [verzoeker] heeft in de procedure bij de kantonrechter een billijke vergoeding van € 43.400, - (bruto) verzocht. Dit bedrag is gebaseerd op het salaris (circa € 27.900, - bruto) dat hij nog zou hebben ontvangen gedurende de periode tot de te verwachten einddatum van de arbeidsovereenkomst (te weten 21 juli 2025). [verweerder] heeft de arbeidsovereenkomst onrechtmatig beëindigd terwijl een opzegverbod gold. [verzoeker] kwam daardoor ziek thuis te zitten zonder inkomsten en zonder in aanmerking te komen voor een uitkering. Het verwijtbare handelen van [verweerder] had ertoe kunnen leiden dat [verzoeker] ook na 21 juli 2025 nog (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zou zijn gebleven zonder aanspraak te kunnen maken op een uitkering. Daarom heeft [verzoeker] het bedrag van de inkomensschade verhoogd met een bedrag van € 15.500,-, dat is gelijk aan vijf maanden salaris.
6.25 [verweerder] heeft tot zijn verweer aangevoerd dat dit bedrag bovenmatig is en niet in verhouding staat tot het zeer korte dienstverband van [verzoeker]. Bovendien is de verzochte vergoeding niet in lijn met de gezichtspunten van de Hoge Raad en wordt er geen rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval. [verweerder] stelt verder ook in dit verband dat hij niet verplicht was om het loon tijdens ziekte door te betalen, omdat is gebleken dat [verzoeker] (arbeids-)ongeschikt is voor de functie en dit heeft verzwegen tijdens zijn sollicitatie, aldus [verweerder].
6.26 Het hof overweegt over de hoogte van de billijke vergoeding het volgende. Uit de New Hairstyle-beschikking van de Hoge Raad (Hoge Raad 30 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187) volgt dat het bij de begroting van de billijke vergoeding erom gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de gevolgen van het ontslag. Gezichtspunten die van belang zijn, zijn onder meer het salaris dat de werknemer zou hebben verdiend als de arbeidsovereenkomst had voortgeduurd, of de werknemer ander werk heeft gevonden en daaruit inkomsten geniet en de mate van verwijtbaarheid aan de kant van de werkgever.
6.27 Het hof stelt voorop dat de eerdere overwegingen die hebben geleid tot de conclusie dat het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, meebrengen dat [verweerder] in verband met het einde van de arbeidsovereenkomst een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
6.28 Het hof neemt bij de hoogte van de vergoeding verder in aanmerking dat [verzoeker] arbeidsongeschikt was toen [verweerder] hem ontsloeg. Dit betekent a. dat een opzegverbod gold en dat het [verweerder] dus - in beginsel - niet was toegestaan om de arbeidsovereenkomst op te zeggen zolang [verzoeker] door ziekte arbeidsongeschikt was en b. dat het voor [verzoeker] gelet op zijn ziekte niet eenvoudig was om ander werk te vinden. [verzoeker] heeft echter tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht dat hij eind april 2025 elders werk heeft gevonden.
6.29 Verder acht het hof van belang dat de arbeidsovereenkomst nog tot 21 juli 2025 zou hebben voortgeduurd als [verweerder] [verzoeker] niet zou hebben ontslagen en dan in principe van rechtswege zou zijn geëindigd. [verzoeker] is dus door het ontslag op staande voet een aanzienlijk bedrag aan salaris misgelopen. Aan het verweer van [verweerder] dat hij niet verplicht was om het salaris tijdens ziekte door te betalen omdat is gebleken dat [verzoeker] (arbeids-)ongeschikt is voor zijn functie en dit heeft verzwegen tijdens zijn sollicitatie, gaat het hof voorbij, zoals hiervoor al in 6.21 is overwogen.
6.30 Het hof acht daarom gronden aanwezig om, alle omstandigheden afwegend, een billijke vergoeding toe te wijzen van € 35.000, - bruto. Dit bedrag bestaat uit het loon over de resterende duur van de arbeidsovereenkomst, dat is in totaal circa € 27.900, - bruto, verhoogd met een bedrag van € 7.100, - bruto wegens de ernstige mate van verwijtbaarheid aan de kant van [verweerder]. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking.
6.31 Het hof acht het niet juist de transitievergoeding te betrekken bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding. Ook bij een regelmatig einde van de arbeidsovereenkomst zou [verzoeker] immers aanspraak hebben gehad op de transitievergoeding. Ook de toewijzing van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging leidt er niet toe dat een lager bedrag dan € 35.000, - bruto zal worden toegekend, omdat [verzoeker] in dat geval in onvoldoende mate zou worden gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder]. Hiermee wordt bovendien ook tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen, omdat dit voor hen voordeliger is dan het in stand houden daarvan.
De zelfstandige verzoeken van [verweerder]
6.32 Omdat [verzoeker] zijn primaire verzoeken heeft ingetrokken, heeft [verweerder] geen belang meer bij behandeling van zijn voorwaardelijk ontbindingsverzoek en zijn verzoek om te bepalen dat een eventuele voorwaardelijke transitievergoeding eerst opeisbaar zal zijn nadat in rechte onherroepelijk komt vast te staan dat er tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat, omdat uit het voorgaande volgt dat de daarvoor gestelde voorwaarde niet in vervulling is gegaan. Het verzoek om [verzoeker] te veroordelen tot (terug)betaling van een bedrag aan salaris van € 2.449,97 netto zal worden afgewezen, omdat uit het voorgaande volgt dat daarvoor geen rechtsgrond bestaat.
Conclusie en proceskosten
6.33 Partijen hebben geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, bij bewezenverklaring, tot een andere beoordeling kunnen leiden dan hierboven is gegeven. De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoeker] slaagt. Daarom zal het hof de beschikking vernietigen en verder beslissen zoals hierna bij de beslissing wordt vermeld. Het hof zal [verweerder] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen tot betaling van de kosten van de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep. Voor een veroordeling van [verzoeker] in de (werkelijke) proceskosten, zoals door [verweerder] verzocht, bestaat gelet op het voorgaande geen aanleiding.
6.34 De kosten van de procedure bij de kantonrechter aan de kant van [verzoeker] worden begroot op:
griffierecht € 87, - salaris advocaat € 814,-
Totaal € 901, - De kosten van de procedure in hoger beroep aan de kant van [verzoeker] worden begroot op:
griffierecht € 362, - salaris advocaat € 2.580, - (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.131, - ## 7 Beslissing
Het hof: - vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2025;
en opnieuw rechtdoende: - veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 4.236,67 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2024 tot de dag van de gehele betaling; - veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van het salaris met emolumenten over de periode van 1 november 2024 tot 19 november 2024, te vermeerderen met 50 procent wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 30 november 2024 tot de dag van de gehele betaling; - veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 368, - bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 december 2024 tot de dag van de gehele betaling; - veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 35.000, - bruto aan billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van deze beschikking tot de dag van de gehele betaling; - veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure bij de kantonrechter, aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 901,-; - veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 4.032,-; - bepaalt dat als [verweerder] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verweerder] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-; - wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door F.J. Verbeek, mr. J.S. Honée en mr. P.Th. Sick en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.