Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2024:2472 - Gerechtshof Den Haag - 18 december 2024

Arrest

ECLI:NL:GHDHA:2024:247218 december 2024Deze uitspraak wordt in 2 latere zaken aangehaald

Arrest inhoud

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.335.062/01 en 200.335.062/02
zaak - en rekestnummer rechtbank : C/09/643068 / FA RK 23-1241
beschikking van de meervoudige kamer van 18 december 2024
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.M. Wigman te Den Haag,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A. Neermawatie Nandoe te Voorburg.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de bijzondere curator] ,
in zijn hoedanigheid als bijzondere curator van de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] .
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,
locatie: Den Haag,
hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 oktober 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1 De man is op 24 november 2023 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij heeft daarbij tevens verzocht tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking.
2.2 De vrouw heeft op 25 januari 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3 De man heeft op 13 maart 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
2.5 De mondelinge behandeling heeft op 15 november 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
De raad is, zoals aangekondigd in zijn brief van 31 oktober 2024, niet ter zitting verschenen.
2.6 Mr. Wigman, mr. Neermawatie Nandoe en de bijzondere curator hebben ter zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Mr. Wigman heeft aan zijn spreekaantekeningen een draagkrachtberekening gehecht. Mr. Neermawatie Nandoe maakt bezwaar tegen de overlegging van die berekening en vraagt het hof om haar een termijn te geven om een eigen berekening te maken en te overleggen. Het hof overweegt dat de berekening van mr. Wigman geen nieuwe gegevens bevat, nu alle weergegeven posten voor aanvang van de zitting reeds waren genoemd in de processtukken die deel uitmaken van het procesdossier. Het hof staat de overlegging van de aangehechte draagkrachtberekening door mr. Wigman daarom toe. Voor zover mr. Neermawatie Nandoe het hof vraagt haar een termijn te geven na de zitting waarbinnen zij een eigen berekening kan maken en overleggen, overweegt het hof dat zij daarvoor voorafgaand aan de zitting voldoende de gelegenheid heeft gehad. Het hof wijst haar verzoek om een termijn te krijgen derhalve af.

3 De feiten

3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2 Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
3.3 Uit de vrouw is geboren: [minderjarige] , op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige).
3.4 De minderjarige is niet erkend.
3.5 De vrouw geeft de man geen toestemming om de minderjarige te erkennen.
3.6 De vrouw heeft het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
3.7 De man, de vrouw en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.8 Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 maart 2023 is [de bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.
3.9 In de bestreden beschikking is als voorlopige omgangsregeling bepaald dat de minderjarige tweemaal per week, (na een opbouw) op donderdag van 12.00 tot 16.00 uur en op zondag van 8.00 tot 12.00 uur, bij de man zal zijn. Bij vonnis van 3 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam de wijze van overdracht daarvan gedetailleerd bepaald en bepaald dat de vrouw een dwangsom aan de man moet betalen voor iedere keer dat zij zich daaraan niet houdt.
3.10 In het eindverslag van Jeugdformaat van 3 juli 2024 is vermeld dat het traject Ouderschap Blijft voortijdig is beëindigd vanwege weinig / geen samenwerkingsbereidheid van de vrouw.
3.11 In een brief van 14 augustus 2024 heeft de raad vermeld dat zij een onderzoek gezag en omgang zal gaan doen. "Ouders hebben tijdens de oudergesprekken aangegeven dat de overdracht momenten bij de bushalte veelal met stress en spanning verlopen. De RvdK wil daarom in een raadsonderzoek met ouders hierover in gesprek gaan.", aldus de raad.

4 De omvang van het geschil

4.1 Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang:
4.2 De man is het niet eens met die beslissing voor zover die ziet op de kinderalimentatie en het gezag. Hij verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
in het incident:
te bepalen dat de uitvoerbaar bij voorraadverklaring wordt geschorst, met bepaling dat voor de duur van de procedure en in afwachting van een beslissing in de hoofdzaak, de kinderalimentatie per 4 september 2023 althans per datum indiening incident/hoger beroepschrift voorlopig wordt vastgesteld op € 142, - per maand;
in de hoofdzaak:
ten aanzien van de kinderalimentatie: - te bepalen dat de behoefte van de minderjarige wordt gesteld op (het hof begrijpt na toelichting van de advocaat van de man ter zitting:) € 320, - (althans dat in de overwegingen op te nemen); - te bepalen dat de kinderalimentatie per 4 september 2023 althans per datum indiening hoger beroepschrift, wordt vastgesteld op € 142, - per maand; - met bepaling dat hetgeen de vrouw te veel van de man heeft ontvangen zij binnen twee weken na datum beschikking aan de man dient terug te betalen;
ten aanzien van het gezamenlijk gezag: - te bepalen dat beide partijen worden belast met het gezamenlijk gezag over de minderjarige.
4.3 De vrouw voert verweer. Zij verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en opnieuw beschikkende:
in het incident:
I. de man in deze niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen;
in het principaal appel:
II. de grieven van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor al het overige met inachtneming van hetgeen door de vrouw in het verweerschrift is aangevoerd;
in het incidenteel appel
III. de bestreden beschikking met betrekking tot de erkenning op dat punt te vernietigen en opnieuw beschikkende:
IV. een beslissing te nemen als het hof in goede justitie zal mogen vermenen.
4.4 De man voert verweer in het incidenteel hoger beroep. Hij verzoekt het hof om, uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel hoger beroep van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking op het punt van de vervangende erkenning te bekrachtigen.
4.5 De bijzondere curator adviseert het hof om het incidenteel beroep van de vrouw te verwerpen en de bestreden beschikking wat de vervangende toestemming tot erkenning betreft te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Schorsingsverzoek
5.1 De man heeft tijdens de zitting zijn schorsingsverzoek ingetrokken. De intrekking van dit verzoek heeft tot gevolg dat de door de man aangevoerde gronden niet meer kunnen worden onderzocht, omdat er op dit punt geen beslissing van het hof meer wordt gevraagd. Het hof zal de man in dit verzoek dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
In de hoofdzaak
5.2 Het hof zal de geschilpunten hieronder achtereenvolgens bespreken. Allereerst komt aan de orde het verzoek van de vrouw om de vervangende toestemming tot erkenning te vernietigen. Daarna bespreekt het hof het verzoek van de man om gezamenlijk gezag, gevolgd door het verzoek van de man dat ziet op de kinderalimentatie.
Erkenning
5.3 Het hof overweegt over de erkenning als volgt. Ingevolge artikel 1:204 lid 3 BW dient de vraag beantwoord te worden of de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige niet schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige niet in het gedrang komt, en de man de verwekker is van de minderjarige. Nu de man en de vrouw het erover eens zijn dat de man de verwekker is van de minderjarige, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de minderjarige als de man er aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van zulk een betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige geschaad zouden worden bij erkenning van de minderjarige door de man of dat er ten gevolge van de erkenning voor hen reële risico's zijn dat zij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
5.4 Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof - evenals de rechtbank - van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat de man haar erkent. Het hof neemt de gronden van de rechtbank - na eigen afweging - over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen andere feiten of omstandigheden gebleken die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Evenals de raad op de zitting in eerste aanleg en de bijzondere curator is het hof van oordeel dat het in het belang van de identiteitsontwikkeling van de minderjarige is om te weten wie haar vader is en dat deze band ook rechtens wordt erkend. De vrouw heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat door de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige zal worden geschaad of de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige in het gedrang zal komen. De bezwaren van de vrouw zien daarentegen veeleer op de eventuele vervolgstap na erkenning, het gezamenlijk gezag, en de (uitvoering van de) omgangsregeling. Deze onderwerpen staan echter los van de erkenning als zodanig. Het gezamenlijk gezag zal het hof hierna afzonderlijk beoordelen.
5.5 Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten door de raad, zoals door de vrouw is verzocht. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
5.6 Gelet op vorenstaande bekrachtigt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van het verlenen van de vervangende toestemming tot erkenning.
Gezamenlijk gezag
5.7 Het hof overweegt over het verzoek van de man om partijen te belasten met het gezamenlijk gezag over de minderjarige als volgt. Ingevolge artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Anders dan de rechtbank ziet het hof in het feit dat de man de minderjarige thans nog niet heeft erkend geen belemmering voor toewijzing van zijn verzoek om partijen te belasten met het gezamenlijk gezag over de minderjarige. Het hof verleent de man in deze beschikking vervangende toestemming tot erkenning. Zodra de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van de erkenning heeft opgemaakt, is de man een 'tot het gezag bevoegde ouder' van de minderjarige zoals bedoeld in voormeld artikel. Het hof zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de man om mede belast te worden met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
5.8 Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het tweede lid van artikel 1:253c BW bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.9 Hoewel de ouders (nog) niet in staat zijn gebleken om geheel ongestoord op een constructieve wijze op ouderniveau te communiceren, is het hof van oordeel dat onvoldoende gronden aanwezig zijn voor de conclusie dat zij niet in staat zullen zijn om (binnen afzienbare tijd) in gezamenlijk overleg beslissingen van enig belang over de minderjarige te nemen. Tussen partijen staat vast dat de onderlinge verhouding en communicatie voor verbetering vatbaar is. Het hof wil partijen meegeven dat het volgen van een hulpverleningstraject ter verbetering van hun onderlinge communicatie een nuttige vervolgstap voor hen kan zijn. Zij zullen er baat bij hebben als hun onderlinge communicatie verbetert, en ook als zij individueel werken aan de eigen blokkades die in de weg staan aan goed en vruchtbaar overleg over de minderjarige. Zoals hiervoor vermeld zal de raad nog onderzoek gaan doen, met name naar de omgang. Ook de raad zal daarbij, verwacht het hof, bekijken of en zo ja welke hulpverlening partijen kan helpen bij het verbeteren van de onderlinge communicatie. De man en de minderjarige hebben een vaste omgangsregeling en partijen communiceren met elkaar via WhatsApp over zaken die de minderjarige aangaan. Het hof verwacht daarom dat het de ouders tot op zekere hoogte lukt om afspraken met elkaar te maken, eventueel in de vorm van parallel-solo-ouderschap.
5.10 Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van het gezag vernietigen en het verzoek van de man om mede met het gezag over de minderjarige te worden belast, alsnog toewijzen. Aan die toewijzing verbindt het hof de opschortende voorwaarde dat de man de minderjarige heeft erkend, in die zin dat een ambtenaar van de burgerlijke stand de akte van erkenning heeft opgemaakt. Het hof zal de man een termijn van drie maanden geven waarbinnen hij de erkenning van de minderjarige dient te completeren, en zal de griffier opdragen om niet eerder dan drie maanden na de datum van deze beschikking een afschrift van deze beschikking te sturen naar de rechtbank Den Haag, afdeling civiel recht, team familie - en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register. Dat betekent dat de man en de vrouw pas worden belast met het gezamenlijk gezag drie maanden na de datum van deze beschikking, mits de man de minderjarige dan heeft erkend.
Kinderalimentatie
5.11 De man heeft tegen de bestreden beschikking twee grieven aangevoerd die zien op de kinderalimentatie. Deze grieven zien op de behoefte van de minderjarige en – in het verlengde daarvan – de hoogte van de maandelijks door de man te betalen kinderalimentatie. Het hof zal deze onderwerpen hierna één voor één bespreken.
5.12 Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
De behoefte van de minderjarige
5.13 De rechtbank heeft de behoefte van de minderjarige berekend op een bedrag van € 657, - per maand (in 2023). Volgens de man is de rechtbank er daarbij ten onrechte van uitgegaan dat partijen met elkaar in gezinsverband hebben samengeleefd. De vrouw vindt dat de rechtbank de behoefte van de minderjarige op de juiste wijze heeft berekend. Het hof is het met de man eens dat de rechtbank er bij de bepaling van de behoefte van de minderjarige ten onrechte van is uitgegaan dat partijen met elkaar in gezinsverband hebben samengeleefd. Partijen hebben weliswaar met elkaar samengeleefd, maar zijn het er over eens dat zij nimmer met de minderjarige in gezinsverband hebben samengeleefd. De vrouw is namelijk uit de gezamenlijke woning vertrokken toen zij negen weken zwanger was van de minderjarige. Dat betekent dat het hof de hoogte van de behoefte van de minderjarige opnieuw zal berekenen.
5.14 In eerste aanleg is de rechtbank uitgegaan van de jaarinkomens van partijen in 2022, omdat toen nog niet duidelijk was hoe hoog hun jaarinkomens 2023 zouden zijn. In hoger beroep hebben partijen allebei hun jaaropgave 2023 overgelegd, waardoor het hof de behoefte van de minderjarige zal berekenen aan de hand van die inkomensgegevens. Bij het opnieuw berekenen van de behoefte van de minderjarige hanteert het hof de tabelbedragen uit 2023, omdat wordt gerekend met de inkomensgegevens van de ouders in dat jaar.
5.15 Het hof verwijst voor de herberekening van de behoefte naar de aangehechte behoefteberekening, welke hieronder wordt toegelicht. Aan de zijde van de man houdt het hof rekening met een jaarinkomen van € 48.032, - (productie 16 van de man in hoger beroep). Verder zal het hof het netto besteedbaar inkomen van de man verhogen met het kindgebonden budget waartoe hij gerechtigd zou zijn als de minderjarige bij hem zou hebben gewoond. Het hof verwijst in dit verband naar het Rapport alimentatienormen versie 2023-1: een dergelijke fictieve aanspraak moet in aanmerking worden genomen, omdat het gaat om het bepalen van het bedrag dat de betreffende ouder uit de ter beschikking staande middelen aan het kind zou besteden als het bij hem of haar zou opgroeien. Dit leidt tot een netto besteedbaar inkomen van de man van in totaal € 3.570, - per maand. Aan de zijde van de vrouw houdt het hof rekening met een jaarinkomen van € 24.809, - (productie 16 van de vrouw in hoger beroep). Het hof houdt in de berekening rekening met het kindgebonden budget dat zij ontvangt omdat de minderjarige bij haar woont. Dit leidt tot een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van in totaal € 2.525,-.
5.16 Omdat partijen nooit met elkaar en de minderjarige in gezinsverband hebben samengeleefd, dient de behoefte van de minderjarige te worden bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de man en de behoefte op basis van het inkomen van de vrouw. Uitgaande van genoemde netto besteedbare inkomens van de ouders, berekent het hof de behoefte van de minderjarige op basis van het netto besteedbaar inkomen van de man (inclusief het fictieve kindgebonden budget) op € 481, - en op basis van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 314,-. De gemiddelde behoefte van de minderjarige bedraagt in 2023 aldus (afgerond) € 398, - per maand.
Draagkracht
5.17 Het hof berekent de draagkracht van partijen in 2023 aan de hand van hun jaarinkomens in 2023, omdat de ingangsdatum van de kinderalimentatie is bepaald op 4 september 2023 en dat in hoger beroep niet in geschil is. In de draagkrachtberekening hanteert het hof de tarieven die in de tweede helft van 2023 golden. Voor zover de man stelt dat het hof bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw dient af te wijken van het woonbudget, overweegt het hof dat het daarvoor geen aanleiding ziet. Het hof stelt voorop dat voor een afwijking van dat woonbudget naar een lager bedrag slechts aanleiding bestaat als er een (mogelijk) tekort is aan draagkracht om in de behoefte van de minderjarige te voorzien (zie Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586). Daarvan is in deze zaak geen sprake. Het hof overweegt voorts nog dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de woonlasten van de vrouw dusdanig duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan haar woonbudget om van dat budget af te wijken.
5.18 Op basis van voornoemde gegevens heeft het hof een draagkrachtberekening gemaakt, welke aan deze beschikking is gehecht. Uit die berekening volgt dat de man een draagkracht heeft van € 655, - per maand en de vrouw een draagkracht heeft van € 415, - per maand. Aangezien de totale draagkracht van partijen (€ 1.070,-) de behoefte van de minderjarige van € 398, - per maand overschrijdt, dient een draagkrachtvergelijking te worden gemaakt. De behoefte van de minderjarige wordt als volgt verdeeld:
Zorgkorting
5.19 Het hof houdt rekening met een zorgkorting aan de zijde van de man. De man heeft conform de geldende omgangsregeling twee maal per week vier uur omgang met de minderjarige, hetgeen neerkomt op een gemiddelde omgang van één dag per week. Het hof begroot de zorgkorting derhalve op 15%, zijnde € 60,-. Gelet hierop dient de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige een bijdrage van € 184, - te betalen.
Terugbetalingsverplichting
5.20 Het hof komt tot slot toe aan de beoordeling van het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen zij te veel aan kinderalimentatie heeft ontvangen van de man. Daarbij gaat het over de kinderalimentatie die de man met ingang van januari 2024 is gaan betalen, zoals de vrouw onbetwist heeft gesteld. Hierover overweegt het hof als volgt.
5.21 Op grond van vaste rechtspraak – zie Hoge Raad 6 februari 2015 ECLI:NL:HR:2015:232 en Hoge Raad 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001 – geldt dat de rechter behoedzaam gebruik dient te maken van diens bevoegdheid om een bijdrage in het levensonderhoud te wijzigen met ingang van een in het verleden gelegen datum, met name doordat dat een verplichting tot terugbetaling in het leven roept voor de onderhoudsgerechtigde als (in casu:) zij daardoor te veel kinderalimentatie heeft ontvangen. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven (onderstreping hof), en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering. In deze regels ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.
5.22 Het hof stelt voorop dat partijen in hoger beroep de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum, 4 september 2023, niet in het debat hebben betrokken. De Hoge Raad gebiedt de feitenrechter om behoedzaam om te gaan met de bevoegdheid om een bijdrage in levensonderhoud met ingang van een datum in het verleden te wijzigen en wijst daarbij op de eventuele onredelijkheid die de terugbetalingsverplichting van hetgeen in overeenstemming met de behoefte van de onderhoudsgerechtigde reeds is uitgegeven met zich kan brengen. Het hof oordeelt dat de rechtbank de behoefte te hoog heeft vastgesteld doordat ten onrechte is uitgegaan van een samenleving in gezinsverband. De man heeft al vóór de bestreden beschikking de stelling ingenomen dat de behoefte dient te worden berekend met inachtneming van het feit dat partijen nimmer hebben samengeleefd in gezinsverband met de minderjarige. De vrouw heeft dat telkens erkend: zij leeft al sinds het tweede trimester van haar zwangerschap niet meer in gezinsverband samen met de man. Het hof is van oordeel dat de vrouw er derhalve rekening mee heeft kunnen houden dat de rechtbank de behoefte van de minderjarige te hoog had vastgesteld. Omdat in casu de behoefte nu juist lager blijkt te zijn dan het bedrag waarop de bijdrage die de man steeds heeft betaald, is gebaseerd, oordeelt het hof dat in redelijkheid van de vrouw verlangd mag worden dat zij het te veel ontvangene aan hem terugbetaalt. Zij heeft daardoor immers meer ontvangen dan waaraan de minderjarige behoefte had, terwijl zij daar gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval vanaf de aanvang rekening mee heeft kunnen houden. Het hof zal beslissen dat zij het te veel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie aan de man dient terug te betalen. De man verzoekt het hof nog om aan de terugbetalingsverplichting een termijn van twee weken te verbinden. Daartegen heeft de vrouw geen specifiek verweer gevoerd, zodat ook dat zal worden toegewezen.
Proceskosten
5.23 De vrouw heeft het hof bij monde van haar advocaat ter zitting verzocht om de man te veroordelen in de proceskosten. Gelet op de familierechtelijke aard van de zaak zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.24 Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarin aan de man vervangende toestemming is verleend tot erkenning van de minderjarige;
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als geëindigd;
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin het verzoek van de man tot het verkrijgen van gezamenlijk gezag is afgewezen en, opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de man om partijen te belasten met het gezamenlijk gezag over de minderjarige toe;
verbindt aan de toewijzing van het verzoek van de man om partijen te belasten met het gezamenlijk gezag over de minderjarige de opschortende voorwaarde dat de erkenning van de minderjarige door de man is geschied door opmaking van de akte van erkenning door een ambtenaar van de burgerlijke stand;
draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Den Haag, afdeling civiel recht, team familie - en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 4 september 2023 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige van € 290, - per maand dient te betalen, en, opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 4 september 2023 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige van € 184, - per maand dient te betalen, voor toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw binnen 14 dagen na deze beschikking aan de man het te veel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie, die de man met ingang van januari 2024 is gaan betalen, dient terug te betalen;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.R.J. Mulder, S.H.M. van der Heiden en M.L.H. Gelauff, bijgestaan door mr. P.J. Salomons als griffier, en is door mr. A.A.F. Donders op 18 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.