Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2023:3022 - Gerechtshof Den Haag - 16 mei 2023

Arrest

ECLI:NL:GHDHA:2023:302216 mei 2023

Arrest inhoud

Rolnummer: 22-001677-21
Parketnummer: 10-049002-21
Datum uitspraak: 16 mei 2023
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 27 mei 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, met aftrek van het voorarrest, zodat 176 uren, subsidiair 88 dagen hechtenis resteren.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.zij, in of omstreeks de periode van 15 november 2020 tot en met 22 november 2020 te Zwijndrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 339 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2.zij, in of omstreeks de periode van 19 juli 2020 tot en met 22 november 2020 te Zwijndrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.zij, in of omstreeks de periode van 15 november 2020 tot en met 22 november 2020 te Zwijndrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 339 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2.zij, in of omstreeks de periode van 19 juli 2020 tot en met 22 november 2020 te Zwijndrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, datdie geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Verweren
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat er onrechtmatig de woning is betreden en dat dit vormverzuim tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) het telen van hennep. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte niet wist dat er een hennepkwekerij in haar woning werd geëxploiteerd, omdat de aannemer de beschikking had over de sleutels van de woning, nu er gedurende minimaal een half jaar werkzaamheden aan de woning zouden worden uitgevoerd.
Met betrekking tot het binnentreden van de woning overweegt het hof als volgt.
Op 21 en 22 november 2020 worden er meldingen gedaan van pogingen tot inbraak in de woning aan de [adres] . De verbalisanten zagen ter plaatse braaksporen en hebben aan de hand daarvan nader onderzoek ingesteld aan de woning. De woning bleek niet te zijn bewoond. De verbalisanten constateerden verder dat op de ramen op de eerste verdieping aan zowel de voor - als achterzijde vocht zat. Ook hoorden zij een licht zoemend geluid bij de voordeur, het geluid leek op een pomp. Voorts bleek uit onderzoek dat er geen personen op het adres stonden ingeschreven. Naar het oordeel van het hof leveren deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, voldoende grond om de woning in het kader van de uitoefening van de algemene politietaak te betreden, nu bij vermoeden van een hennepkwekerij sprake kan zijn van brandgevaar. Van een vormverzuim als bedoeld in artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering is dan ook geen sprake, zodat reeds hierom geen grond aanwezig wordt geacht voor bewijsuitsluiting. Het verweer wordt derhalve verworpen.
Met betrekking tot dat verdachte niet wist en ook niet kon weten dat er een hennepkwekerij in haar woning werd geëxploiteerd, nu niet zij, maar de aannemer de beschikking had over de sleutels van de woning(alternatief scenario) overweegt het hof als volgt.
Het hof acht de lezing van de verdachte – dat niet zij maar kennelijk een ander verantwoordelijk is voor de hennepkwekerij - ongeloofwaardig gelet op de volgende omstandigheden.
De verdachte is eigenaar van de woning waar de hennepkwekerij is aangetroffen. De verklaring van verdachte dat zij de sleutels aan de aannemer heeft afgegeven vindt geen steun in het dossier. Deze verklaring is door de aannemer weersproken. Hij verklaart nooit in de woning te zijn geweest of sleutels te hebben ontvangen. Het hof stelt voorts vast dat de verdachte desgevraagd uitsluitend verklaart in algemeenheden en dat zij volstrekt geen openheid van zaken heeft gegeven over onder andere de omstandigheden waaronder de sleutels van de woning zijn overgedragen aan de aannemer, hoe vaak zij bij de woning is geweest, met wie zij daar is geweest en de (verbouwings)plannen die zij met de woning had, laat staan de voortgang van die verbouwing en het dragen van dubbele lasten gedurende een aanzienlijke periode. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat er een fictieve offerte is opgemaakt en dat het de verdachte is geweest die deze willens en wetens heeft aangevraagd of in opdracht heeft laten aanvragen teneinde een dekmantel te creëren voor het telen van hennep in haar woning. Het alternatieve scenario is niet aannemelijk geworden zodat het verweer wordt verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich gedurende de bewezenverklaarde periode schuldig gemaakt aan het opzettelijk telen en aanwezig hebben van 339 hennepplanten in haar woning. Daarnaast is sprake van diefstal van energie ten behoeve van de hennepkwekerij. Verdovende middelen zoals hennep zijn schadelijk voor de volksgezondheid en vormen veelal, direct en indirect, aanleiding tot verschillende vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hier kennelijk geen oog voor gehad.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2023.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. V.M. de Winkel,
mr. A. de Lange en mr. T.J. Sleeswijk Visser, in bijzijn van de griffier mr. L. Knoop.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 mei 2023.