Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2023:1749 - Gerechtshof Den Haag - 22 augustus 2023
Arrest
ECLI:NL:GHDHA:2023:1749•22 augustus 2023
Arrest inhoud
Rolnummer: 22-002880-22
Parketnummers: 09-120023-22 en 22-000042-21 (TUL)
Datum uitspraak: 22 augustus 2023
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2022 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteland]
op [geboortedatum] 1974,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde en veroordeeld voor het onder 1 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 dagen, waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, welke dadelijk uitvoerbaar is verklaard en is voorts een beslissing genomen op de vordering tot tenuitvoerlegging, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Ontvankelijkheid verdachte feit 2
De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Den Haag vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover nog aan de orde - tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 11 mei 2022 te 's-Gravenhage [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of één of meer medewerkers van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting, door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of andere medewerkers dreigend de woorden toe te voegen "Als je klaar bent met werken wacht ik je wel buiten" en/of "Ik ga jullie gebouw in de fik steken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 dagen waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en voorts dat aan de verdachte wordt opgelegd een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een gebiedsverbod voor de duur van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee deels niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op of omstreeks 11 mei 2022 te 's-Gravenhage [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of één of meer medewerkers van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/ofbrandstichting, door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of andere medewerkers dreigend de woorden toe te voegen "Als je klaar bent met werken wacht ik je wel buiten" en/of "Ik ga jullie gebouw in de fik steken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met brandstichting.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao en een van zijn medewerkers met brandstichting op de wijze zoals bewezen is verklaard.
Een dergelijke bedreiging brengt angst bij de betrokkenen en maatschappelijke onrust met zich mee. De verdachte heeft daar geen rekening mee gehouden.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 juli 2023, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en ook andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Het hof heeft voorts acht geslagen op het Reclasseringsadvies d.d. 2 augustus 2023, waarin onder andere geadviseerd wordt om een gebiedsverbod aan de verdachte op te leggen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - een passende en geboden reactie vormt.
Dat betekent dat de verdachte, gelet op de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, niet terug hoeft naar de gevangenis.
Gelet op de impact op de medewerkers van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao, ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel, te weten een gebiedsverbod, opgelegd. Deze maatregel houdt in dat de veroordeelde zich voor de duur van 2 jaren niet mag bevinden binnen een straal van 100 meter van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao gelegen aan de [adres 1] te Den Haag.
Het hof zal daarbij bevelen dat de maatregel ex art. 38v van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar is.
Hoewel krachtens het bestreden vonnis een dergelijk daarbij dadelijk uitvoerbaar verklaard gebiedsverbod reeds geruime tijd geldt, moet naar het oordeel van het hof ernstig rekening worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt. Het hof leidt dat af uit de standvastige (negatieve) houding van de verdachte ten opzichte van aangever zoals uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen. Het hof acht daarom deze maatregel ter bescherming van de daarmee beoogde belangen nog geruime tijd nodig.
Vordering tenuitvoerlegging
Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 november 2021 onder parketnummer 22-000042-21 is de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van
€ 200,00 subsidiair vier dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren, met bevel dat die geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de proeftijd van de niet tenuitvoergelegde straf zal worden verlengd met 1 jaar.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering is in beginsel gegrond.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, is het hof van oordeel dat het raadzaam is de proeftijd met één jaar te verlengen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 14 (veertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren zich niet zal bevinden binnen een straal van 100 meter van het Kabinet van het Gevolmachtigde Minister van Curaçao, gelegen aan de [adres 1] te Den Haag. Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Verlengt de proeftijd als vermeld in het arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 november 2021 parketnummer 22-000042-21, met een termijn van 1 (één) jaar.
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk,
mr. A.J.M. Kaptein en mr. C. Reijntjes-Wendenburg, in bijzijn van de griffier mr. A.M. Grasman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 augustus 2023.
mr. Reijntjes-Wendenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.