Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:737 - Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden - 10 februari 2026

Arrest

ECLI:NL:GHARL:2026:73710 februari 2026

Arrest inhoud

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.353.809/01 en 200.362.821/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 555523)
beschikking van 10 februari 2026
in de zaak van
[verzoekster] (de vrouw),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mrs. C.A.M.J.M. Joosten en L.A.W. Hermans te Venlo,
en
HBCM Laren B.V.(de bewindvoerder/mentor)
in hoedanigheid van mentor en bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [verweerder] (de man),
die woont op een geheim adres in Nederland,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. A.H.H. Nauta te [plaats3] .

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie [plaats3] , van 2 augustus 2024 en 24 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 24 december 2024 zal hierna worden aangeduid als de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen bij het gerechtshof Amsterdam op 24 maart 2025; - de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 15 april 2025, waarin het gerechtshof Amsterdam zich onbevoegd heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden; - een brief van mr. Nauta van 16 juni 2025; - een journaalbericht van mr. Joosten van 28 juli 2025 met bijlage(n); - het verweerschrift; - een journaalbericht van mr. Nauta van 6 januari 2026 met bijlage; - een journaalbericht van mr. Joosten van 7 januari 2026 met bijlage.
2.2 De mondelinge behandeling heeft op 13 januari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren: de vrouw, de bewindvoerder/mentor, de advocaten en een tolk in de [buitenlandse] taal, mevrouw [naam3] .

3 De feiten

3.1 De man heeft op 21 juni 2020 een hersenbloeding gehad. Daarna onderging hij enige tijd dagbehandeling voor revalidatie in het zorgcentrum [woonplaats1] (GRZ).
3.2 De man is [in] 2020 in [plaats1] , [land] , gehuwd met de vrouw. De vrouw heeft de [buitenlandse] nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit. Na hun huwelijk zijn zij in [plaats2] gaan wonen.
3.3 Op 22 juli 2021 is de man onder bewind gesteld op grond van zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand en is er een mentorschap ingesteld. Zijn neef, [naam1] ( [naam1] ), is benoemd tot bewindvoerder en mentor.
3.4 Na voornoemde uitspraak, in juli 2021, werd de man overgebracht naar het Interventiecentrum van [naam2] in [plaats2] . Op 26 augustus 2021 is hij beschermd gaan wonen op zijn huidige adres.
3.5 Op 8 december 2022 is de huidige bewindvoerder/mentor in de plaats van [naam1] benoemd.
3.6 Op 4 april 2023 is het verzoekschrift van de man tot echtscheiding ingediend.

4 De omvang van het geschil

4.1 Bij de bestreden beschikking is, voor zover hiervan belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de vrouw veroordeeld tot betaling van € 30.900 aan de man.
4.2 De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 december 2024. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De vrouw verzoekt de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en het verzoek tot echtscheiding alsnog af te wijzen en, zo verstaat het hof, de veroordeling dat de vrouw € 30.900 aan de man dient te betalen, te vernietigen en het inleidende verzoek alsnog af te wijzen.
4.3 De bewindvoerder/mentor voert namens de man verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1 Het hof zal eerst de grieven tegen het uitspreken van de echtscheiding beoordelen.
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter
5.2 De zaak heeft een internationaal karakter omdat de vrouw de [buitenlandse] nationaliteit heeft en partijen gehuwd zijn in [land] . Dat betekent dat eerst moet worden vastgesteld of de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen.
5.3 Echtgenoten hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. De man heeft daarnaast de Nederlandse nationaliteit en woont langer dan zes maanden in Nederland. Op grond van artikel 3 van de Verordening Brussel II-ter (nr. 2019/1111) is daarom de Nederlandse rechter bevoegd van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen.
5.4 De rechtbank heeft bij de beoordeling van het verzoek Nederlands recht toegepast. Daartegen is geen grief gericht. Het hof zal het verzoek dan eveneens beoordelen naar Nederlands recht.
De bevoegdheid van de bewindvoerder/mentor
5.5 In haar eerste grief stelt de vrouw dat de bewindvoerder/mentor onbevoegd is om namens de man een echtscheidingsverzoek in te dienen omdat er onvoldoende concreet bewijs is dat de man op het moment van indiening van het verzoek nog in staat was zijn wil te bepalen. Het hof verwerpt deze grief.
5.6 Het hof stelt voorop dat de man de verzoeker is ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding, niet de bewindvoerder/mentor.
5.7 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de beslissing om een echtscheiding te verzoeken een hoogst persoonlijk karakter heeft en daarom niet door een curator, mentor of bewindvoerder kan worden gedaan.[1] De Hoge Raad overweegt: "Het antwoord op de vraag of iemand die wegens een geestelijke stoornis onder curatele staat, bekwaam is een vordering tot echtscheiding in te stellen, is daarvan afhankelijk of betrokkene in staat is zijn of haar wil daaromtrent te bepalen en de betekenis van een zodanige vordering te begrijpen. Wanneer dit het geval is, is er geen reden de 'bijstand' ten processe van een curator of een toeziende curator te verlangen, reeds daarom niet omdat dit een figuur is die de wet niet kent. Wanneer betrokkene niet in staat is zijn of haar wil als voormeld te bepalen, dient de eisende partij in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard; voor vertegenwoordiging door een curator of een toeziend curator is wegens het hoogst persoonlijk karakter van de desbetreffende beslissing geen plaats."[2]
5.8 Het hof is van oordeel dat uit deze overwegingen volgt dat, als kan worden vastgesteld dat iemand in staat is zijn wil te bepalen over een verzoek tot echtscheiding en de betekenis daarvan, hij een verzoek tot echtscheiding kan indienen. In dat geval kan hij zich daarbij in de procedure laten vertegenwoordigen door zijn bewindvoerder/mentor. De echtgenoot die onder bewind of mentorschap staat is dan de verzoeker ten aanzien van de echtscheiding. De bewindvoerder/mentor treedt op als procesvertegenwoordiger.
5.9 Uit de stukken in het dossier blijkt dat de man zijn huwelijk meerdere malen met zijn neef als bewindvoerder/mentor heeft besproken, dat hij het huwelijk niet wilde en dat de echtscheidingsprocedure in overleg met de man in gang is gezet. De man heeft derhalve de beslissing genomen om te willen scheiden en daarvoor een procedure aanhangig te maken.
5.10 De procedure is vervolgens ingeleid met een verzoekschrift waarin in de aanhef staat: "HBCM LAREN B.V., gevestigd te Laren, beschermingsbewindvoerder/mentor van [verweerder] , verzoeker, nader te noemen "de man" wonende op een geheim te houden adres in Nederland, te dezer zake woonplaats kiezend aan de Zilverparkkade 27, (Postbus 219, 8200 AE) Lelystad, ten kantore van de advocaat mr A.H.H. Nauta, die ten deze tot advocaat wordt gesteld en als zodanig zal optreden". Het hof is van oordeel dat dit aldus moet worden begrepen dat de man de verzoeker is in het verzoek tot echtscheiding. Dat hij zich vervolgens door zijn bewindvoerder heeft laten vertegenwoordigen maakt dit niet anders. Bovendien bevatte het verzoekschrift niet alleen een verzoek tot echtscheiding maar ook een financiële vordering, waarbij het, gelet op artikel 1:441 BW, tot de taak van de bewindvoerder behoort verzoeker te vertegenwoordigen. Een vertegenwoordiging door de bewindvoerder voor de gehele procedure is mede daarom ook niet onlogisch.
5.11 Deze procedure wijkt dan ook af van de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 oktober 2015 waar de vrouw zich op beroept.[3] Hierin was het verzoekschrift tot echtscheiding ingediend door de vader en de moeder in hun hoedanigheid van mentoren van de vrouw en niet door de vrouw. In die zaak was de echtscheiding in gang gezet nadat de vrouw niet meer in staat was haar wil kenbaar te maken omdat zij in een coma lag.
De ontvankelijkheid van het verzoek
5.12 Het hof moet vervolgens beoordelen of de man wel in staat was zijn wil te bepalen over het verzoek tot echtscheiding en of hij de betekenis daarvan begreep. Het hof is van oordeel dat dat het geval is.
5.13 Dat de man de wil had om te scheiden en de betekenis daarvan begreep, volgt in de eerste plaats uit het patiënt profiel ouderenzorg van de man van 20 juli 2021. Hierin staat beschreven onder voorgeschiedenis/familie anamnese:"Dhr. woont op dit moment in bij [naam4] en zijn gezin (vrouw en kinderen). Dhr. is gehuwd met de schoonmoeder van [naam4] , geen gelukkig huwelijk. Veilig thuis heeft [naam4] opdracht gegeven om scheiding in gang te zetten op verzoek van dhr. Dit is nog niet in werking gesteld."
5.14 De wil van de man blijkt voorts uit de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 22 juli 2021 waarbij het bewind en mentorschap over de man is ingesteld. Uit de beschikking blijkt dat de man zich hier tijdens de mondelinge behandeling op 21 juli 2021 over heeft uitgesproken. De kantonrechter heeft daarover onder meer het volgende overwogen.
"Middels tussenkomst van Veilig Thuis is gebleken dat betrokkene inwoont bij een man die [naam4] wordt genoemd. (…) Tijdens de zitting verklaarde betrokkene dat dhr. [naam4] ( [naam4] ) er op heeft gestaan dat betrokkene zou trouwen met de schoonmoeder van [naam4] omdat hun band dan sterker zou worden. Betrokkene zegt dat hij dat inderdaad met haar getrouwd is, maar dat helemaal niet wilde. Hij denkt dat dit alleen voor de verblijfsvergunning was en daar staat hij niet achter. Betrokkene weet niet met zekerheid te zeggen hoe zijn echtgenote heet; hij denkt [naam5] . Hij geeft aan bang voor haar te zijn omdat zij heel sterk is. (…) Deze beslissing wordt genomen zonder dat de echtgenote van betrokkene is gehoord Gelet op hetgeen betrokkene heeft verklaard over onder meer het onvrijwillig gesloten zijn van het huwelijk en gezien de inschatting van Veilig Thuis dat de betrokkene slachtoffer zal worden van agressie als bekend wordt dat het onderhavige verzoek is gedaan, heeft de kantonrechter daartoe besloten."
5.15 De voormalig bewindvoerder, [naam1] , heeft op 10 januari 2022 een email gestuurd met als onderwerp "Huwelijk JvH" en vervolgens in de tekst "Scheiding van [verzoekster]" met een opsomming van de argumenten. In een email van 16 augustus 2024 aan de huidige bewindvoerder heeft hij onder meer verklaard als volgt.
"Tijdens het proces van verblijf in de Dagbehandeling Somatiek, de opname op de Interventieafdeling van [naam2] en opname in Woonzorg [naam6] heb ik diverse gesprekken met [verweerder] gevoerd. Ik kan bevestigen dat zijn huwelijk meermaals ter sprake kwam. [verweerder] heeft bij herhaling aangegeven niet vrijwillig te zijn getrouwd met [verzoekster] en bang te zijn voor zijn (toen veronderstelde) vrouw en schoonzoon [naam7] . (…) Ook heb ik meermaals inhoudelijk gesproken over zijn relatie. Zij woonden niet bij elkaar; [verweerder] gaf aan te wonen in een geïmproviseerde kamer, niet samen maar altijd gescheiden; er was geen sprake van een liefdesrelatie, enig (seksueel) lichamelijk contact, genegenheid of zelfs een gesprek (ze spreken elkaars taal ook niet), kortom alles wijst op een schijnhuwelijk gearrangeerd door [naam7] .(…) Gaandeweg bleek er wel degelijk bewijs te zijn van een huwelijksvoltrekking en is er in overleg met [verweerder] op basis van voorgaande een echtscheidingsprocedure in gang gezet."
5.16 Uit de correspondentie tussen [naam1] en de advocaat, mr. Nauta, blijkt vervolgens dat op 13 december 2022 een concept verzoekschrift tot vernietiging van het huwelijk, subsidiair verzoek tot echtscheiding is opgesteld. Dat was bijna een half jaar na de benoeming van [naam1] tot bewindvoerder en mentor. Door de wisseling van de bewindvoerder/mentor is het verzoekschrift vier maanden later ingediend.
5.17 Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat de man duidelijk en consistent was in zijn wens om te scheiden. Hij heeft herhaaldelijk aangegeven niet achter het huwelijk te staan. De man heeft dat aangegeven bij de ouderenzorg waar hij in dagbehandeling was. Hij heeft dat aangevoerd bij de behandeling van het verzoek tot onderbewindstelling en instelling van het mentorschap, terwijl hij op dat moment nog bij de heer [naam4] en de vrouw woonde en de man volgens de vrouw nog helder van geest was en zeker in staat was zijn wil te bepalen. Daarnaast heeft de man diverse keren met zijn bewindvoerder/mentor besproken dat hij dit huwelijk niet wilde. Aan de wens van de man om het huwelijk te beëindigen is vervolgens gevolg gegeven door opdracht te geven aan de advocaat om een verzoekschrift tot echtscheiding in te dienen. Het hof acht de man daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
De geldigheid van het huwelijk
5.18 Voordat het hof vervolgens toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot echtscheiding, moet het hof vaststellen of het huwelijk geldig is. Op grond van artikel 10:31 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een buiten Nederland voltrokken huwelijk als rechtsgeldig erkend als het in de staat waar het huwelijk is voltrokken rechtsgeldig is (lid 1). Een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit (lid 4). Op grond van artikel 10:32 BW wordt, ongeacht artikel 31, aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde en in ieder geval indien een van de echtgenoten op het tijdstip van de sluiting van het huwelijk geestelijk niet in staat was zijn toestemming te geven, tenzij deze daartoe wel in staat is op het moment dat de erkenning van het huwelijk wordt gevraagd en uitdrukkelijk met de erkenning instemt (sub d.) of niet vrijelijk zijn toestemming tot het huwelijk had gegeven, tenzij deze uitdrukkelijk met de erkenning van het huwelijk instemt (sub e.).
5.19 Partijen hebben een huwelijksakte overgelegd waaruit blijkt dat het huwelijk in [land] is gesloten door de bevoegde autoriteiten. Het huwelijk wordt daarmee vermoed rechtsgeldig te zijn.
5.20 Het hof is verder oordeel dat niet is komen vast te staan dat het huwelijk in strijd is met de openbare orde. De man heeft op 21 juni 2020 weliswaar een uitgebreide hersenbloeding heeft gehad met cognitieve stoornissen en afhankelijkheid tot gevolg, maar medische gegevens ontbreken op grond waarvan een storing van de geestesvermogens van de man ten tijde van de huwelijkssluiting kan worden vastgesteld. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat de man ten tijde van het sluiten van het huwelijk niet in staat was zijn wil te bepalen. Hij is na het herseninfarct nog onderzocht door de huisarts. Er was geen sprake van een problematische medische situatie waardoor de man geen huwelijk kon sluiten, aldus de vrouw. De man is voor het huwelijk naar [land] afgereisd. Daarnaast heeft de man na zijn infarct nog financiële transacties gesloten ten overstaan van de notaris. De notaris heeft ook geen bedenkingen geuit over de geestesvermogens van de man die de transacties zouden verhinderen. Dat de man ten tijde van de huwelijkssluiting geestelijk niet in staat was zijn toestemming daarvoor te geven is daarmee niet komen vast te staan.
5.21 Evenmin is komen vast te staan dat het huwelijk in strijd met artikel 10:32 BW sub e. is aangegaan omdat de man niet vrijelijk zijn toestemming heeft gegeven. Dat de man door de schoonzoon van de vrouw, de heer [naam4] , tot het huwelijk is gedwongen is onvoldoende aannemelijk geworden.
Duurzame ontwrichting
5.22 Nu het hof heeft vastgesteld dat een rechtsgeldig huwelijk tussen partijen tot stand is gekomen, dient vervolgens beoordeeld te worden of dit huwelijk kan worden ontbonden door echtscheiding. De man heeft daarvoor aangevoerd dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit betwist.
5.23 Het hof gaat voorbij aan de betwisting van de vrouw. Op grond van artikel 1:151 BW kan de echtscheiding op verzoek van één van de echtgenoten worden uitgesproken indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. Duurzame ontwrichting is een objectief te constateren toestand te beoordelen naar het tijdstip van de uitspraak.[4] Vaststaat dat geen affectieve relatie tussen partijen bestaat, zij wonen apart en ver uit elkaar. Na het instellen van het bewind en mentorschap is er nog sporadisch contact geweest tussen partijen, maar inmiddels is er al langere tijd helemaal geen contact meer. De duurzame ontwrichting staat daarmee vast. Het hof zal de beschikking van de rechtbank met betrekking tot het uitspreken van de echtscheiding dan ook bekrachtigen.
Veroordeling tot betaling van € 30.900
5.24 De rechtbank heeft de vrouw veroordeeld € 30.900 aan de man te vergoeden op grond van artikel 1:87 BW omdat zij voor dit bedrag pinopnames van de rekening van de man heeft gedaan. De vrouw heeft tegen deze veroordeling een grief gericht. Het hof moet op grond daarvan beoordelen of de rechtbank de vrouw terecht heeft veroordeeld tot vergoeding van het bedrag van € 30.900 aan de man ter zake van de pinopnames. Het hof is van oordeel dat dat het geval is en legt dat hieronder uit.
5.25 Zoals hiervoor is overwogen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om over de echtscheiding te beslissen. Om die reden komt de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toe om te beslissen op het nevenverzoek tot betaling van voornoemd bedrag.[5]De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast op het verzoek de vrouw te veroordelen een geldbedrag aan de man te betalen. Hiertegen is geen grief gericht. Dat betekent dat het hof het verzoek eveneens zal beoordelen naar Nederlands recht.
5.26 Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden opgemaakt. Zij zijn gehuwd na 1 januari 2018. Dat betekent dat er een beperkte gemeenschap van goederen geldt tussen partijen.
5.27 Op grond van artikel 1:87 BW ontstaat er een vergoedingsrecht als er vermogensverschuivingen plaatsvinden tussen echtgenoten. De bewindvoerder heeft gesteld dat de vrouw (tenminste) € 30.900 heeft onttrokken aan het vermogen van de man. De vrouw heeft erkend dat zij deze bedragen heeft opgenomen. Zij stelt echter dat zij dit bedrag heeft aangewend voor de renovatie van de woning van de man. Subsidiair stelt de vrouw dat zij op grond van artikel 1:81 BW gerechtigd was tot dit bedrag omdat de man de plicht had de vrouw het nodige te verschaffen.
5.28 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat nu de vrouw erkent dat zij het bedrag van € 30.900 heeft opgenomen van de rekening van de man, zij moet aantonen dat zij dit bedrag heeft geïnvesteerd in de woning van de man. De bewindvoerder/mentor heeft dit betwist. Hij heeft de woning in 2023 heeft nog bezocht en geconstateerd dat deze vervallen was. De vrouw heeft geen facturen of foto's in het geding gebracht waaruit de werkzaamheden kunnen blijken. Zij heeft ook geen toelichting gegeven op de verrichtte werkzaamheden en de kosten die daarmee gemoeid waren.
5.29 Het beroep op artikel 1:81 BW verwerpt het hof eveneens. De vrouw heeft op geen enkele wijze onderbouwd wat zij nodig zou hebben in de genoemde periode. Dat de vrouw niet over een eigen inkomen beschikte is daarvoor onvoldoende. Zij heeft niets gesteld over het inkomen van de man en daarmee over de welstand tijdens het huwelijk. Zij heeft ook niets gesteld over de lasten die zij moest voldoen. De opnames van € 30.900 over een periode van een jaar komen op een bedrag van € 2.575 per maand. De vrouw heeft op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat zij dit bedrag nodig had.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van
24 december 2024;
bepaalt dat ieder van partijen zijn eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Leentjes, mr. M.A.F. Veenstra en mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 10 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
HR: 28 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6859
NJ 1980/378 r.o. 4 onder b.
ECLI:NL:GHSHE:2015:3863
HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZCS560
Artikel 5 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 ("Huwelijksvermogensverordening"). - - - ## Voetnoten
HR: 28 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6859
NJ 1980/378 r.o. 4 onder b.
ECLI:NL:GHSHE:2015:3863
HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZCS560
Artikel 5 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 ("Huwelijksvermogensverordening").