Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:1802 - Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden - 24 maart 2026
Arrest
ECLI:NL:GHARL:2026:1802•24 maart 2026
Arrest inhoud
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003352-25
Uitspraakdatum: 24 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 25 juli 2025 met parketnummer 16-283129-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 10-318207-23, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in Penitentiaire Inrichting [verblijfplaats]
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 12 januari 2026 en 10 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. J.A.J. Brahm hebben aangevoerd. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van wat de advocaat van de benadeelde partij, mr. I.L.A. Kamphuis naar voren heeft gebracht.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 25 juli 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de periode die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk en hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 177,93 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade, dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voor het resterende deel van de gevorderde immateriële schade heeft de rechtbank de vordering afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met parketnummer 10-318207-23 toegewezen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis met aanvulling van gronden bevestigen, behalve voor zover het de strafmotivering betreft. Ten aanzien van dit onderdeel komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank Midden-Nederland. In zoverre vernietigt het hof het vonnis. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Overwegingen rechtbank met betrekking tot het bewijs
Het hof sluit zich aan bij de afwegingen en gronden waarop de rechtbank heeft beslist en neemt deze over. Het hof zal naar aanleiding van de behandeling in hoger beroep de gronden en bewijsoverwegingen aanvullen. Voor de leesbaarheid van het arrest zal het hof het bewijs en de overwegingen in het vonnis hieronder weergeven. De rechtbank heeft het volgende overwogen:
Bewijsmiddelen
<footnoteReference id="_de281959-9bbc-44c1-a7a0-10755ea2904c">[1]</footnoteReference>
Een
proces-verbaal van aangifte (met bijlage)
*door [benadeelde partij] , onder meer inhoudende,*
zakelijk weergegeven:
Op 14 augustus 2024 omstreeks 00:30 uur bevond ik mij in mijn woning. Ik woon in een rijtjeswoning aan de [adres] te [plaats2] . Ik hoorde dat er werd aangebeld. De persoon die voor de deur stond kwam mijn woning binnen. Op de eerste etage werd ik door de persoon op de grond geduwd. Ik zag en voelde dat er een stuk tape op mijn mond werd geplakt door de persoon. Ik zag en voelde dat er een tweede stuk tape over mijn mond werd geplakt. Ik heb de persoon verteld waar de juwelen lagen. Ik zag dat de persoon de slaapkamer inliep en lades begon open te trekken. Ik zag dat de persoon naar mijn kast toeliep in de slaapkamer en ook hier alle kasten open trok. Ik hoorde dat de persoon in de woonkamer ook alle deuren en kastjes opentrok. Ik hoorde de personen vragen waar de sleutel van de achterdeur was. Ik heb de persoon verteld waar deze sleutel lag. Ik had het gevoel dat er meerdere personen in mijn woning waren. Dit omdat ik op de begane grond geluiden hoorde terwijl de persoon nog op de eerste etage bij de trap stond. Ik zag dat het in de woonkamer een grote puinhoop was en dat alle lades en deuren opengetrokken waren. In de woonkamer zag ik dat mijn twee laptops, portemonnee en mijn telefoon weg waren genomen. Ik ben de logeerkamer in gelopen en zag hier dat de camera van de babyfoon weg was genomen. Ook zag ik dat mijn autosleutel en mijn scootersleutel waren weggenomen.
<footnoteReference id="_57843a7a-dcaa-4e97-96f1-0027731dcc16">[2]</footnoteReference>
De informatie in de bijlagen van het hiervoor genoemde bewijsmiddel bevat onder
meer de volgende tekst:
Bijlage goederen: - horloge, twee stuks; - computer (notebook), twee stuks; - telefoon, Samsung; - tweemaal gouden ring heren en damesring 18 karaats; - ring gebouwd uit 9 gouden buisjes elke buisje met diamant; - gouden damesring met diamantje; - ring heren 18 karaats met diamantje; - gouden trouwring vader; - gouden ring met verhoging + twee diamantjes; - gouden ketting 18 karaats; - gouden trouwring moeder; - gouden bedel met diamantje; - diverse juwelen goud en zilver; - babyfoon; - scooter - en autosleutel; - cadeaubon, twee stuks.[3]
Een
proces-verbaal van aanvullend verhoor
*van aangever [benadeelde partij] , onder meer*
inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: U gaf aan dat ook uw portemonnee met inhoud was gestolen. Wat zat hier zoal
in?
A: Het was eigenlijk geen portemonnee het was meer een pasjes houder. Hierin
zaten de volgende passen: bankpas van de ING, creditcard van de ING, mijn rijbewijs, kentekenbewijs van de scooter [kenteken1] , kentekenbewijs van de auto [kenteken2] , (oude) vispas en pasje van de jeu de boules club.
<footnoteReference id="_7a9d5808-dda9-4fd3-ae93-c2f4105b37be">[4]</footnoteReference>
Een
proces-verbaal van verhoor verdachte
*, houdende de verklaring van verdachte [medeverdachte1] ,*
onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
We zijn met z'n drieën binnengelaten. We zijn naar boven gegaan. We hebben sieraden meegenomen. De medeverdachte vroeg de sleutel van de achtertuin. Ik was de derde verdachte die niet over de schutting kwam. Ik ben daarna weer naar binnen gegaan en via de voorkant weggegaan. Ik had die tape meegenomen. De derde verdachte deed heel veel tape op zijn hoofd. Een medeverdachte heeft het slachtoffer geduwd. De overval heeft tien tot twaalf minuten geduurd.
<footnoteReference id="_5a5aace6-2f6c-4172-be1a-2e28a537e159">[5]</footnoteReference>
Een
proces-verbaal van bevindingen
*, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:*
Ik heb de camerabeelden bekeken en zag het volgende:
Ik zag dat er om 00:45:37 twee personen de achtertuin van [adres] in renden. Ik zag dat er eerst iets over de schutting werd gegooid.
Hierna zag ik dat een manspersoon, NNI, over de schutting klom, terwijl een ander
manspersoon, NN2, achter NNI stond. Tegelijkertijd kwam een derde manspersoon
aanrennen. Ik zag dat NN2 over de schutting klom. Ik zag dat NN3 over de schutting wilde klimmen. Ik zag dat NN3 niet over de schutting kwam.
<footnoteReference id="_96841608-dc37-4cd5-8496-711e467170d7">[6]</footnoteReference>
Een
proces-verbaal van forensisch onderzoek woning
*, voor zover inhoudende, zakelijk*
weergegeven:
Ik was in de woning aan de [adres] voor forensisch onderzoek. Ik
zag twee rollen tape in de slaapkamer. Ik heb deze rollen tape veiliggesteld. (...) SIN rol tape: AAQT4042NL.
<footnoteReference id="_3ce167cd-7237-4b9a-9fba-1e75aeac7638">[7]</footnoteReference>
Een
rapport forensisch DNA-onderzoek
*, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:*
Resultaten, interpretatie en conclusie van het DNA-onderzoek:
[DNA mengprofielnummer] (randen van de rol): DNA kan afkomstig zijn van minimaal drie personen: een relatief grote hoeveelheid DNA van het slachtoffer [benadeelde partij] . Een relatief kleine hoeveelheid DNA van [verdachte] [de rechtbank begrijpt: verdachte] en minimaal één onbekende persoon.
DNA-mengprofiel [DNA mengprofielnummer] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker
wanneer het DNA afkomstig is van [verdachte] en twee willekeurige onbekende
personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van drie willekeurige onbekende personen.
<footnoteReference id="_8e2a4433-ed3d-42a6-8be4-a5cef8e1d8df">[8]</footnoteReference>
Een
proces-verbaal van bevindingen
*, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:*
Verdachte [verdachte] was aangehouden in een onderzoek in België. Hierbij is zijn telefoon in beslag genomen. Middels een Europees Onderzoeksbevel heeft het onderzoeksteam de beschikking gekregen over de telefoon die onder [verdachte] in beslag is genomen. Type: Iphone 13. Naam: Iphone van [naam] . IMEI: [IMEI nummer] .
Ik zag dat er in de telefoon meerdere GPS-locaties beschikbaar waren. Ik zag dat er op 14 augustus 2024 om 00:01:17 een GPS-locatie was die de locatie aangaf van de woning van [verdachte] aan de [adres2] te [plaats2] . Ik zag dat de telefoon om 00: 11:06 in de richting bewoog van de woning van een van de andere verdachten in dit onderzoek, [medeverdachte2] . Ik zag dat de telefoon tussen 00:11 uur en 00:24 uur verplaatste richting de woning aan de [adres] te [plaats2] . Ik zag dat het laatste GPS-punt in de directe omgeving van de [adres] op 14 augustus 2024 om 00:24 uur was. Uit onderzoek bleek dat omstreeks 00:35 uur de overval had plaats gevonden. Ik zag dat het volgende (correcte) GPS-punt daarna om 00:53 uur op de A27 was.
<footnoteReference id="_b0c9dbd5-ae1e-4d94-af41-4a367f02d3b1">[9]</footnoteReference>
Een
proces-verbaal van bevindingen
*, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:*
Resumé:
Het IMEI-nummer [IMEI nummer] van verdachte [verdachte] maakte van 14 augustus 2024 tussen 00:00 en 01:30 uur een reisbeweging van de omgeving van de woning van verdachte [medeverdachte2] naar de omgeving van de woning van het slachtoffer en weer terug. Dit komt overeen met de reisbeweging van de telefoons van verdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2] . En na de overval met de telefoon van het slachtoffer.
<footnoteReference id="_c65a559f-56a6-4264-9895-1776924c44fe">[10]</footnoteReference>
Bewijsoverwegingen
Verdachte ontkent iets met de woningoverval te maken te hebben gehad.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat op basis van het dossier geen uitvoeringshandelingen kunnen worden toegeschreven aan verdachte. Het aangetroffen DNA-spoor van verdachte kan niet worden aangemerkt als een daderspoor. Wat betreft de reisbewegingen van de telefoon van verdachte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat dit op zichzelf nog geen bewijs oplevert van betrokkenheid, laat staan medeplegen. Dit geldt temeer nu de telefoon van verdachte niet op het moment van de overval actief gebruikt is voor communicatie, niet blijkt dat verdachte het toestel zelf bediende of überhaupt bij zich had.
Betrokkenheid van verdachte
De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsvrouw en overweegt hiertoe als volgt.
Tijdens de woningoverval is er tape op de mond van aangever gedaan. De politie heeft ter
plaatse op de eerste verdieping van de woning ook meerdere stukken tape aangetroffen.
De politie is verdachte op het spoor gekomen, omdat op de randen van een in de slaapkamer aangetroffen stuk rol tape een DNA-spoor is aangetroffen waarbij het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is dat de bemonstering DNA bevat van verdachte en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van drie willekeurige onbekende personen.
Verdachte heeft verklaard dat hij in een bouwmarkt in [plaats3] werkte en dat mogelijk daardoor zijn DNA op de rol tape is gekomen. De politie heeft hier onderzoek naar gedaan en daaruit is gebleken dat de Praxis bouwmarkt in [plaats4] verschillende rollen tape
verkoopt, die allemaal afgedekt zijn met folie.
Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte zijn DNA dus niet op de zijkant van de rol
tape heeft kunnen achterlaten tijdens zijn werk in de bouwmarkt. De raadsvrouw heeft in dit
verband nog aangevoerd dat er geen onderzoek is gedaan naar de bouwmarkt in [plaats3]
maar die in [plaats4] . Naar het oordeel van de rechtbank is het evenwel onaannemelijk dat de rollen tape in de bouwmarkt in [plaats3] anders worden verpakt
dan in de bouwmarkt in [plaats4] . Daar komt bij dat medeverdachte [medeverdachte1] heeft verklaard dat
hij de rol tape heeft meegenomen. Medeverdachte [medeverdachte1] is vanuit [plaats5] , waar hij woont,
voor de woningoverval naar [plaats2] gekomen.
Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, vindt de rechtbank het scenario dat door
verdachte is geschetst, namelijk dat hij de tape heeft aangeraakt in de bouwmarkt waar hij
heeft gewerkt, onaannemelijk en ongeloofwaardig. De rechtbank zal de verklaring van
verdachte dan ook terzijde schuiven.
Ten aanzien van het andere objectieve bewijs, te weten de reisbewegingen van de telefoon
van verdachte, overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de GPS-locaties van de telefoon van verdachte kan worden afgelezen dat ongeveer
twintig minuten voorafgaand aan de overval de telefoon van verdachte zich in de buurt van
de woning van de medeverdachte [medeverdachte2] bevond. Vervolgens is de telefoon van verdachte
met de telefoons van verdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte1] meegereisd naar de directe omgeving van de
woning van aangever. Blijkens de GPS-locaties verlaten de telefoons van verdachte, [medeverdachte2] ,
[medeverdachte1] én de telefoon van aangever, nadat de woningoverval is gepleegd, ongeveer gelijktijdig
de woning van aangever. Deze telefoons verplaatsen zich vervolgens weer naar de omgeving van de woning van medeverdachte [medeverdachte2] .
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zijn telefoon mogelijk in een auto heeft laten
liggen. Ter zitting heeft verdachte hier verder geen verklaring meer over willen geven.
De rechtbank overweegt dat verdachte ook tijdens zijn verhoor bij de politie geen handen en
voeten heeft gegeven aan deze verklaring. Zo heeft verdachte bijvoorbeeld niet duidelijk
kunnen maken hoe zijn mobiele telefoon in de desbetreffende auto (de auto van [medeverdachte2] ) kan
zijn beland. Ook ter zitting heeft verdachte hierover geen duidelijkheid verschaft.
De rechtbank is van oordeel dat de reisbewegingen van de telefoon van verdachte, in
combinatie met het aangetroffen DNA-spoor, voldoende redengevend zijn voor de
vaststelling van betrokkenheid van verdachte bij de woningoverval. Het hiervoor genoemde objectieve bewijs schreeuwt om een nadere uitleg. De rechtbank is van oordeel dat wanneer
verdachte een alternatief scenario schetst, dit alternatieve scenario voldoende concreet moet zijn om een aannemelijke verklaring te kunnen vormen voor de objectieve onderzoeksresultaten. De door verdachte gegeven verklaringen zijn daarvoor ongeloofwaardig (ten aanzien van het aangetroffen DNA-spoor) en te vaag en te algemeen (ten aanzien van de reisbewegingen van de telefoon van verdachte). De rechtbank acht het
mogelijke alternatieve scenario daarom niet aannemelijk geworden. Gelet op het hiervoor
overwogene, is de rechtbank van oordeel dat verdachte als dader betrokken is geweest bij de woningoverval.
Medeplegen
De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet is of verdachte als medepleger aan de woningoverval kan worden aangemerkt.
De rechtbank leidt uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachten af dat tussen hen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Er is sprake geweest van een gezamenlijke gang naar de woning waar de overval heeft plaatsgevonden en alle drie de verdachten zijn ook daadwerkelijk in de woning geweest, waar zij hebben gezocht naar spullen van aangever die zij konden meenemen. De verdachten hebben de woning gelijktijdig verlaten, waarbij ook daadwerkelijk meerdere goederen zijn meegenomen. Zij hebben na de overval dezelfde reisbeweging gemaakt, waaruit de rechtbank afleidt dat zij ook na de overval nog samen waren. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte bij de woningoverval een aandeel van voldoende gewicht heeft gehad en dat medeplegen is bewezen. Dat niet ten aanzien van alle (gewelds)handeling(en) kan worden vastgesteld wie van de verdachten deze heeft verricht, doet daaraan niet af.
Partiële vrijspraken
De rechtbank zal verdachte van bepaalde ten laste gelegde gedragingen vrijspreken en overweegt hiertoe als volgt.
Verklaringen
Aangever heeft verklaard dat een man, die voor de deur van de woning van aangever om hulp vroeg, met kracht deze deur heeft opengeduwd. Bij binnenkomst van de woning hield de man direct een mes voor de keel van aangever. Nadat aangever werd gedwongen de eerste verdieping op te lopen, duwde de man hem op de grond en dreigde hem te steken met zijn mes. Vervolgens plakte de man tape over de mond van aangever en trok hij de ketting van zijn nek. Aangever, die met deze overvaller op de eerste verdieping was, hoorde geluiden op de begane grond. Hierdoor kreeg aangever de indruk dat de man die hem had overvallen niet alleen was. Uiteindelijk zijn er meerdere goederen, waaronder sieraden en horloges, uit de woning gestolen.
Medeverdachte [medeverdachte1] bekent dat hij de woningoverval heeft gepleegd. Hij is samen met twee
andere personen de woning van aangever binnengegaan. Aangever zou [medeverdachte1] en de twee
anderen hebben binnengelaten. Volgens [medeverdachte1] is de deur van aangever niet met kracht
opengeduwd. Ook is er geen mes getoond en is hier ook niet mee gedreigd, aldus [medeverdachte1] . Wel is
aangever door één van de andere overvallers op de grond geduwd en is er tape op zijn mond geplakt. [medeverdachte1] heeft niet gezien dat er een ketting van de nek van aangever is getrokken. Wel zijn er andere goederen uit de woning weggenomen.
Forensisch bewijs
De rechtbank overweegt dat uit forensisch onderzoek is gebleken dat op de aangetroffen
stukken tape op de eerste verdieping meerdere DNA-mengprofielen zijn aangetroffen. Zoals
reeds hiervoor vermeld is het op één stuk tape meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dat
de bemonstering DNA bevat van verdachte en twee willekeurige onbekende personen, dan
wanneer het DNA afkomstig is van drie willekeurige onbekende personen. Op een ander stuk tape dat is aangetroffen in de slaapkamer is het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dat de bemonstering DNA bevat van [medeverdachte1] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van drie willekeurige onbekende personen. Daarnaast is op het midden van de rugzijde (buitenkant) van het overhemd van het slachtoffer een DNA-mengprofiel aangetroffen en onderzocht. Hieruit volgt dat het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is dat de bemonstering DNA bevat van aangever en medeverdachte [medeverdachte2] , dan wanneer het DNA afkomstig is van aangever en een willekeurige onbekende persoon.
Conclusie
De rechtbank concludeert uit het voorafgaande dat de verklaring van aangever niet geheel
past in de objectieve onderzoeksresultaten van het DNA-onderzoek. Aangever heeft immers
verklaard dat slechts één persoon hem in de woning (agressief) benaderde en dat hij geen
andere personen heeft gezien. Op grond hiervan zou het in de rede liggen dat enkel het DNA
van één van de verdachten zou worden aangetroffen op de stukken tape en het overhemd van aangever. Aangever verklaart immers dat hij boven aan de trap is geduwd en dat er doordiezelfde persoon op de eerste verdieping tape over zijn mond is geplakt. Er wordt echter van drie verdachten DNA aangetroffen op goederen die op de eerste verdieping zijn gevonden, waaronder op twee verschillende stukken tape. Aangezien de verklaring van aangever niet (geheel) overeenkomt met dit objectieve bewijs, zal de rechtbank terughoudend omgaan met de verklaring van aangever en zal zij voor de ten laste gelegde geweldsgedragingen beoordelen of er in het dossier steunbewijs aanwezig is.
De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangever dat hij op de grond is geduwd en dat er stukken tape over zijn mond zijn geplakt, mede wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte1] en door de resultaten van het DNA-onderzoek. Voor de andere ten laste gelegde
geweldshandelingen, te weten het met kracht openen van de deur, het tonen van een mes (en
hiermee te dreigen) en een ketting van de nek van aangever trekken, waarover aangever heeft verklaard, is geen steunbewijs. Hiervan zal de rechtbank verdachte daarom partieel
vrijspreken. Voor het overige kan het tenlastegelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend worden bewezen.
BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
op 14 augustus 2024 te [plaats2] tussen omstreeks 00:35 uur en 00:50 uur tezamen en in
vereniging met anderen uit een woning gelegen aan de [adres] een telefoon,
autosleutel, scootersleutel, horloges, sieraden, laptops, een babyfoon, cadeaubonnen, een
pasjeshouder, pasjes en kentekenbewijzen, die aan [benadeelde partij] toebehoorden, heeft
weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal
werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk
om die diefstal gemakkelijk te maken door
-
- die [benadeelde partij] op de grond te duwen;*
-
- stukken tape op/over de mond van die [benadeelde partij] te plakken.*
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten
voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de
verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan
vrijgesproken.
Overwegingen hof met betrekking tot het bewijs
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft beslist en sluit zich aan bij de door de rechtbank gemaakte overwegingen. Het hof neemt zoals hierboven overwogen deze overwegingen over en vult de gronden aan, aangezien verdachte in hoger beroep een ander scenario heeft geschetst dan tijdens de behandeling in eerste aanleg bij de rechtbank.
Verweren in hoger beroep
Op de zitting van het hof heeft verdachte een alternatief scenario geschetst. Daarnaast is door de raadsvrouw bepleit dat er geen sprake is van medeplegen, overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota.
Alternatief scenario
Verdachte heeft op de zitting van het hof – anders dan bij de rechtbank – verklaard dat hij de dag voorafgaand aan het tenlastegelegde feit met de medeverdachten in de auto van medeverdachte [medeverdachte2] zat en dat hij is gevraagd mee te gaan naar de woning van aangever. Volgens verdachte zou het gaan om een "pedo expose", waarbij het de bedoeling was om aangever bang te maken. Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van de woningoverval aanwezig was in de woning. Verdachte heeft op de zitting van het hof omschreven dat hij heeft gezien dat aangever naar de grond werd gewerkt en dat hij toen "wist dat het foute boel was". Vervolgens is verdachte, aldus verdachte, naar de begane grond in de woning gegaan om de sleutel van de achterdeur te zoeken. Verdachte wilde namelijk de woning via de achterdeur verlaten. Aangezien verdachte de sleutel niet kon vinden, is hij naar de eerste verdieping van de woning teruggegaan om aangever te vragen waar de sleutel zich bevond. Verdachte is wederom naar de begane grond gegaan, heeft de sleutel gevonden en heeft tezamen met de medeverdachten via de achterdeur de woning verlaten. Na het verlaten van de woning is verdachte naar de Mercedes gegaan, waarmee hij en de medeverdachten gezamenlijk naar de woning van aangever waren gereden. In de Mercedes van [medeverdachte2] heeft verdachte met een medeverdachte gewacht op één andere medeverdachte, die via de voordeur de woning van aangever verliet, waarna verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk zijn vertrokken. Desgevraagd verklaart verdachte op de zitting bij het hof, dat hij géén tape op het hoofd van aangever heeft geplakt. Zijn DNA is volgens verdachte op de tape gekomen, omdat hij de dag voorafgaand aan het incident de rol met tape vanaf de achterbank in de auto heeft aangegeven aan een medeverdachte.
Medeplegen
De raadsvrouw heeft op de zitting van hof bepleit dat er, gelet op het door verdachte geschetste alternatieve scenario, geen sprake is van medeplegen.
Het hof is van oordeel dat het door verdachte en zijn raadsvrouw gevoerde verweer met betrekking tot het alternatieve scenario en het medeplegen op onderdelen wordt weersproken door de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en de hieronder aanvullend in dit arrest opgenomen bewijsmiddelen, meer in het bijzonder door wat medeverdachte [medeverdachte1] over de rol van de derde verdachte heeft verklaard. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.
Aanvullende bewijsmiddelen
Het hof heeft de volgende – aanvullende – bewijsmiddelen gebezigd.
Voor zover niet anders vermeld, wordt hierna telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het dossier van de politie Eenheid Midden-Nederland (onderzoek Gladiool, onderzoeksnummer [onderzoeksnummer] bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina's 1 tot en met 524 (procesdossier deel 1 en deel 2) en in het aanvullend procesdossier en de daarin toegepaste nummering (pagina's 525 tot en met 531). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een
proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte1]
*, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:*
Door het gokken liepen er ook schulden bij instanties. Ik had huurachterstand. Ik wist niet meer wat ik moest doen. Toen kwamen ik en de medeverdachte, we hebben dit eigenlijk samen bedacht, dit kun je ook zien in de chats. Ik zei altijd, geen geweld en geen wapen. Ik dacht we gaan alleen iemand geld laten pinnen. Na 23:00 uur kon je niet pinnen, en toen kwamen we met deze optie. Toen gingen we een account maken bij Binkdate. Met deze accounts hebben we contact opgezocht met homo's om via deze weg geld te stelen op een manier dat het niet gewelddadig was. Ik had het account [naam2] aangemaakt. Dat account hadden we gemaakt, we hadden een afspraak gemaakt waarbij ik zei dat ik iemand meenam die minderjarig was. Die afspraak zei, dat is goed. Maar op dat moment werd mijn account geblokkeerd. Toen hebben we een nieuw account aangemaakt en toen heb ik opnieuw contact gezocht. Toen hebben we alsnog een afspraak gemaakt. We hebben aangebeld met ze 3e. We zijn met ze 3e binnengelaten. Toen pakte de medeverdachte het slachtoffer vast en toen begon eigenlijk de overval.
De medeverdachte vroeg om de sleutel van de achtertuin, ik vroeg me af waarom die achterdeur? Ik dacht waarom niet via de voordeur. Ik was de 3e verdachte die niet over de schutting kwam. Ik ben daarna weer naar binnen gegaan en ben via de voorkant weggegaan.
Ik had tape in mijn auto omdat ik laatst schoenen moest terugbrengen. Ik had die tape meegenomen. De derde verdachte deed heel veel tape op zijn hoofd.
De overval is met 3 personen gepleegd. Het klopt dat wij met zijn drieën binnen waren.
De medeverdachte duwde het slachtoffer met twee handen op de schouders naar beneden. Zodat hij ging bukken en op zijn knieën zat.
Volgens mij duurde het doorzoeken van de woning 10 minuten, ik heb 70 procent bij het slachtoffer gestaan om hem gerust te stellen. Een ander persoon ging dan de kamer doorzoeken. De andere 30 procent heb ik ook gezocht.
Ik hoop dat jullie die chats van binkdate terug kunnen zien. Het eerste account [naam2] was geblokkeerd omdat ik zei dat we met zijn drieën kwamen, waaronder een minderjarige. Daardoor werd het account geblokkeerd. In die gesprekken staat duidelijk dat we met zijn drieën kwamen. (…) Met het account van [naam2] is gevraagd of er ook camera's bij de woning hingen. Ik heb via binkdate contact gehad met het slachtoffer, maar het was een telefoon die door meerderen werd gebruikt. Iedereen had een eigen account gemaakt om een potentieel slachtoffer te zoeken. (…) Er is zeker wel tape gebruikt bij het slachtoffer. Dat ontken ik ook niet.[11]
Een
proces-verbaal van bevindingen
*, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:*
Op woensdag 13 november 2024 werden verdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte1] aangehouden op verdenking van de genoemde woningoverval op 14 augustus 2024. Er werden doorzoekingen gedaan en daarbij werd bij beide verdachte minimaal 1 telefoon aangetroffen en inbeslaggenomen voor onderzoek.
Bij verdachte [medeverdachte1] werd onder in zijn slaapkamer waar hij werd aangehouden onder zijn matras een Iphone 11 pro max aangetroffen.
Ik, verbalisant, zag dat er veel data beschikbaar was uit de inbeslaggenomen telefoon. In de telefoon zijn verschillende chatberichten, foto's en overige gebruikers gegevens waaruit vastgesteld kan worden dat de gebruiker van de telefoon verdachte [medeverdachte1] betreft.
Ik zag dat een chatgesprek was gevoerd tussen onderstaande telefoonnummers/ namen van de verdachten:
• [telefoonnummer1] Mijn nummer (owner) [medeverdachte1]
• [telefoonnummer2] [medeverdachte2]
Opmerking verbalisant: ambtshalve ben ik bekend met de afkorting " [afkorting] ". Dit zou mogelijk gaan om [plaats2] . Slachtoffer [benadeelde partij] werd in de nacht van 13 op 14 augustus 2024 overvallen in zijn woning in [plaats2] . En was voordat hij overvallen werd benaderd door een profiel op Binkdate met de naam " [naam2] ".
Ik, verbalisant, heb een export gemaakt van eerdergenoemde gesprek welke gevoerd was tussen [medeverdachte1] en [medeverdachte2] . Zie onderstaande export. [12]
Een
rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut
*, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:*
Resultaten, interpretatie en conclusie van het DNA-onderzoek:
[DNAmengprofielnummer5] (midden van het achterpand van het overhemd): DNA kan afkomstig zijn van minimaal twee personen: slachtoffer [benadeelde partij] . [medeverdachte2] .
DNA-mengprofiel [DNAmengprofielnummer5] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [benadeelde partij] en [medeverdachte2] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [benadeelde partij] en een willekeurig onbekende persoon. [13]
Een
rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut
*, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:*
Resultaten, interpretatie en conclusie van het DNA-onderzoek:
Op basis van de resultaten van het vergelijkend onderzoek is geconcludeerd dat het DNA-profiel van verdachte [medeverdachte1] overeenkomt met het DNA-profiel van onbekende man A in deze zaak. Eerder was vastgesteld dat onderstaande bemonsteringen DNA bevatten dat afkomstig kan zijn van onbekende man A:
• [DNAmengprofielnummer2] (overige deel van de rugzijde van de tape)
• [DNAmengprofielnummer3] (randen van de rol)
• [DNAmengprofielnummer4] (binnenkant van een stukje handschoen)
Vanwege de overeenkomst tussen het DNA-profiel van verdachte [medeverdachte1] en het DNA-profiel van onbekende man A betekent dit daarom dat deze bemonsteringen DNA bevatten dat afkomstig kan zijn van verdachte [medeverdachte1] .
DNA-mengprofiel [DNAmengprofielnummer2] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [medeverdachte1] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van drie willekeurige onbekende personen.
Het afgeleide DNA-hoofdprofiel [DNAmengprofielnummer3] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de relatief grote hoeveelheid DNA afkomstig is van verdachte [medeverdachte1] , dan wanneer de relatief grote hoeveelheid DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.
DNA-profiel [DNAmengprofielnummer4] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [medeverdachte1] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon. [14]
De
door verdachte afgelegde verklaring op de zitting van het hof d.d. 10 maart 2026
*, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:*
Het klopt dat ik tijdens de overval in de woning was. We zijn met z'n drieën naar binnen gegaan, ik was daar één van. De anderen waren [medeverdachte2] en [medeverdachte1] . Aangever [benadeelde partij] is naar de grond gewerkt.
Aanvullende bewijsoverweging door het hof
Beoordeling van de verklaring van verdachte in hoger beroep
Het hof stelt het volgende voorop. Verdachte heeft aanvankelijk zijn betrokkenheid bij het feit ontkend en pas bij de behandeling in hoger beroep een verklaring afgelegd over wat er in de nacht van 13 op 14 augustus 2024 heeft plaatsgevonden. Opvallend is dat verdachte daarover pas heeft verklaard nadat alle stukken in het dossier beschikbaar waren en nadat het vonnis door de rechtbank is gewezen. Daarmee is – hoe dan ook – sprake van een situatie waarin voor verdachte de gelegenheid heeft bestaan zijn verklaring in hoger beroep af te stemmen op de inhoud van de stukken in plaats van een waarheidsgetrouwe verklaring af te leggen. Dit maakt dat het hof de verklaring van verdachte behoedzaam en kritisch beschouwt. Het hof merkt allereerst op dat verdachte wisselende verklaringen heeft gegeven over bepaalde aspecten die uit het dossier naar voren komen. Zo heeft verdachte in verschillende stadia wisselend verklaard over de DNA-sporen die zijn aangetroffen op de plaats delict aangetroffen tape. Verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat zijn DNA op de tape afkomstig zou zijn vanuit zijn vroegere werkkring, aangezien hij in het verleden werkzaam is geweest bij de bouwmarkt Praxis. Op de zitting van het hof heeft verdachte daarentegen verklaard dat hij de rol tape op de dag voorafgaand aan de woningoverval vanuit de achterbank van de Mercedes heeft aangegeven aan medeverdachte. Daarnaast merkt het hof op dat verdachte bij behandeling van de zaak ter terechtzitting van de rechtbank heeft verklaard medeverdachte [medeverdachte2] , die ook aanwezig was bij de behandeling in eerste aanleg, niet te kennen. Bij de behandeling in hoger beroep heeft verdachte anders over medeverdachte [medeverdachte2] verklaard, namelijk dat [medeverdachte2] voor hem snorde én dat verdachte de dag voorafgaand aan de woningoverval door medeverdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte1] is gevraagd aan te sluiten bij het – volgens verdachte door [medeverdachte2] en [medeverdachte1] gevormde – plan om een pedo te "exposen". Het hof constateert dat wat verdachte verklaart (ook) elders te lezen en in te passen is in het dossier. Verdachte verklaart daarbij slechts zeer summier over de gebeurtenissen in de 10 à 12 minuten dat hij in de woning is geweest in de nacht van 13 op 14 augustus 2024.
Het hof stelt vast dat dit anders is voor wat betreft de verklaring van medeverdachte [medeverdachte1] . In het tweede verhoor bij de politie heeft medeverdachte [medeverdachte1] vanuit zijn invalshoek concreet en feitelijk verklaard over wat zich in de woning heeft afgespeeld in de nacht van 13 op 14 augustus 2024. Daarbij heeft [medeverdachte1] over zichzelf belastend verklaard én zijn verklaring wordt op meerdere onderdelen, zoals de duw in de rug van aangever toen hij naar de grond werd gewerkt, het tapen van aangever en de aanwezigheid van drie overvallers in de woning, ondersteund door de aangifte en forensisch bewijs.
Het hof acht met de rechtbank de verklaring van [medeverdachte1] bruikbaar voor bewijs. Dat maakt dat het hof de verklaringen van [medeverdachte1] en aangever, voor zover daarvoor voldoende steunbewijs is, tot uitgangspunt neemt.
[medeverdachte1] heeft – zonder de naam van verdachte te noemen – concreet en feitelijk ook over de rol van verdachte verklaard.
[medeverdachte1] verklaart dat hij samen met "medeverdachte" het plan heeft bedacht om iemand – kort gezegd – geld afhandig te maken en daarvoor samen een account te hebben aangemaakt op Binkdate. Ter ondersteuning van zijn verklaring verwijst [medeverdachte1] naar chats. Uit de chats op zijn telefoon volgt dat [medeverdachte1] samen met medeverdachte [medeverdachte2] hierover heeft gecommuniceerd.
Volgens [medeverdachte1] waren ze met zijn drieën in de woning. De medeverdachte pakte het slachtoffer vast en duwde het slachtoffer met twee handen op de schouders naar beneden, zo verklaart [medeverdachte1] . "De derde deed heel veel tape op zijn hoofd".
Het hof stelt op basis van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en de hierboven opgenomen aanvullende bewijsmiddelen vast dat verdachte – die door [medeverdachte1] als "derde verdachte" wordt aangewezen – degene is geweest die de tape om het hoofd van aangever heeft gedaan en medeverdachte [medeverdachte2] het slachtoffer op de grond heeft geduwd. De DNA-profielen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte1] matchen daarbij met de DNA-profielen aangetroffen op de verschillende in de woning aangetroffen stukken (rol) tape. Het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte2] matcht met het op het aan de rugzijde van het overhemd van het slachtoffer aangetroffen spoor. Aangever heeft verklaard dat hij in zijn rug werd geduwd toen hij op de grond werd gewerkt.
Het gezamenlijke aanwezig zijn en verlaten van de woning wordt ondersteund door de beschrijving van de camerabeelden, waaruit – in samenhang met de overige bewijsmiddelen – valt op te maken dat medeverdachte [medeverdachte2] en verdachte vrijwel gelijktijdig in de tuin van de woning van aangever waren en toen een tas over de schutting is gegooid en dat vervolgens medeverdachte [medeverdachte1] heeft geprobeerd om over de schutting te klimmen.
Oordeel van het hof ten aanzien van het alternatieve scenario
Het hof concludeert allereerst dat het door verdachte geschetste alternatieve scenario op onderdelen wordt bestreden door het bewijs, namelijk door wat medeverdachte [medeverdachte1] bij de politie heeft verklaard over de gang van zaken in de woning en de rol van verdachte in de woning en de aangetroffen DNA-sporen. Naar het oordeel van het hof is het door verdachte geschetste alternatieve scenario overigens, te weten dat zijn DNA al een dag eerder op de tape zou zijn gekomen en dat hij zich in de woning wilde onttrekken aan de overval, niet aannemelijk geworden. Het hof concludeert dat verdachte niet een feitelijk en authentiek verhaal heeft verteld, maar zijn verschillende versies van verklaringen uiteindelijk zoveel als mogelijk heeft afgestemd op de inhoud van het dossier. Het hof bezigt de door verdachte op de zitting van het hof afgelegde verklaring dan ook enkel voor bewijs wat betreft zijn, samengevat, aanwezigheid in de woning zoals hierboven opgenomen, aangezien dit wordt ondersteund door de door de rechtbank en het hof gehanteerde en in het dossier opgenomen bewijsmiddelen.
Oordeel van het hof ten aanzien van medeplegen
Zoals hierboven is overwogen, heeft het hof vastgesteld dat verdachte aanwezig was in de woning van aangever ten tijde van het tenlastegelegde feit, dat hij daar tezamen met twee medeverdachten de woning betrad, dat medeverdachte [medeverdachte2] aangever heeft geduwd en naar de grond heeft gebracht en dat het verdachte is geweest die aangever op/om zijn hoofd heeft getapet. Gelet hierop stelt het hof vast dat verdachte wel degelijk een uitvoerende rol in de geweldshandelingen heeft gehad en over het geheel genomen sprake is geweest van een substantiële bijdrage aan dat geweld door verdachte. Gelet op hetgeen hiervoor al is overwogen (overgenomen van de rechtbank) met betrekking tot een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de woningoverval. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
Het hof oordeelt dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en komt, onder aanvulling van de gronden, tot dezelfde bewezenverklaring als de rechtbank.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens verdachte – overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota – bepleit dat als het hof tot een bewezenverklaring zou komen, rekening wordt gehouden met het reclasseringsrapport van 26 februari 2026, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het intelligentieniveau en de jeugdige leeftijd van verdachte.
Oordeel van het hof
De hierna genoemde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting van het hof is gebleken. Daarbij heeft het hof in bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte zich met twee anderen schuldig heeft gemaakt aan een woningoverval. Het slachtoffer is uitgekozen vanwege zijn kwetsbaarheid en er is via een datingapp onder valse voorwendselen een afspraak met hem gemaakt. Het slachtoffer, destijds 73 jaar, is bij de nachtelijke overval op de grond geduwd, waarbij tape op/om zijn hoofd is aangebracht. Bij de woningoverval zijn waardevolle goederen weggenomen. Deze goederen hadden naast materiële waarde, ook een grote emotionele waarde voor het slachtoffer.
Door aldus te handelen heeft verdachte veel leed en verdriet veroorzaakt bij het slachtoffer. Dit blijkt onder meer uit de verklaring die in het kader van het spreekrecht zowel in eerste aanleg als in hoger beroep naar voren is gebracht, alsmede uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding. Naast het leed en verdriet heeft verdachte door zijn handelen ook veel gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer teweeggebracht. De gebeurtenis heeft tot op de dag van vandaag invloed op het leven van het slachtoffer. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft op de zitting van het hof toegelicht dat het slachtoffer tot eind 2025 EMDR-therapie heeft gevolgd naar aanleiding van het incident. Verdachten hebben zich kennelijk laten leiden door hun eigen financiële gewin en hebben blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van het slachtoffer. Dit rekent het hof verdachte aan. Bovendien veroorzaken dergelijke feiten onrust in de directe omgeving van het slachtoffer, maar ook binnen de gehele maatschappij, waarbij het gevoel van veiligheid wordt aangetast. De eigen woning is bij uitstek een plaats waar men zich veilig en geborgen moet kunnen voelen.
Het hof heeft gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze op de zitting van het hof naar voren zijn gebracht. Ook heeft het hof gelet op het strafblad van verdachte.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 26 februari 2026. De reclassering ziet geen aanleiding tot toepassing van het adolescentenstrafrecht. Het hof ziet evenals de reclassering geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. In overeenstemming met het advies van de reclassering en evenals de rechtbank zal het hof daarom het volwassenenstrafrecht toepassen. Wel houdt het hof rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van de woningoverval.
De reclassering benoemt in het rapport dat er sprake is van opbouw in ernst van delicten, hetgeen zij een zorgelijke ontwikkeling vindt. Ook het hof acht het zorgelijk dat het in een relatief korte periode bergafwaarts lijkt te gaan met verdachte.
Ook heeft het hof acht geslagen op de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot een woningoverval. Gelet op de aard en ernst van het feit, kan in beginsel niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsontneming met zich meebrengt. Voor een woningoverval gepaard met licht geweld/bedreiging is het uitgangspunt een gevangenisstraf van 3 jaren.
Het hof neemt – evenals de rechtbank – tot slot in ogenschouw dat verdachte en medeverdachten zowel in aantal als fysiek een groot overwicht moeten hebben gehad op het oudere slachtoffer en dat de overval is gepleegd in de nachtelijke uren. Verdachte heeft zich aangesloten bij het aanvankelijk door medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2] gesmede plan. Alles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Deze straf is voorts in evenwicht met de strafoplegging van de medeverdachten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.677,93, bestaande uit € 177,93 materiële schade (bestaande uit aanschaf van camera's en lampen ter beveiliging van zijn woning) en € 8.800,00 immateriële schade. De rechtbank heeft de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade geheel toegewezen. De gevorderde immateriële schade heeft de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 6.000,00. Het overige deel van de gevorderde immateriële schade heeft de rechtbank afgewezen.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Het hof stelt vast dat uit het onderzoek op de zitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Deze schade is voldoende onderbouwd en niet betwist. Het hof wijst de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade van € 177,93 toe.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt het hof als volgt. Uit de artikelen 6:95 en 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat uitsluitend in limitatief in de wet opgesomde gevallen aanspraak bestaat op immateriële schadevergoeding, ook genaamd 'smartengeld'. Voor zover in deze zaak relevant heeft de benadeelde alleen recht op vergoeding van immateriële schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Uit het onderzoek op de zitting en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat er naar aanleiding van het incident psychische klachten, waaronder PTSS, bij het slachtoffer zijn geconstateerd. Hiervoor heeft het slachtoffer tot eind 2025 EMDR-therapie gevolgd. Tot op heden ondervindt het slachtoffer de gevolgen van de klachten die zijn ontstaan door de woningoverval, zoals ook blijkt uit de door de raadsvrouw van de benadeelde partij voorgedragen slachtofferverklaring. De benadeelde partij komt daarom in aanmerking voor vergoeding van de immateriële schade wegens aantasting in zijn persoon. De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de gevorderde immateriële schadevergoeding te matigen, althans het hof begrijpt lager vast te stellen. Met de rechtbank is het hof van oordeel, gelet op de specifieke omstandigheden, dat de immateriële schade begroot dient te worden op een bedrag van € 6.000,00. Hierbij is rekening gehouden met beslissingen in soortgelijke zaken. Het overige deel van het gevorderde wijst het hof af.
Het hof concludeert dat verdachte een bedrag van € 177,93 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade aan de benadeelde partij dient te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf na te melden datum. De verdachte heeft het bewezenverklaarde feit samen met anderen gepleegd en zij zijn samen naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Het hof bepaalt daarom dat wanneer de schadevergoeding door de mededader is betaald, de verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Gelet op vorenstaande, dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof tevens de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering tenuitvoerlegging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden onder parketnummer 10-318207-23 moet worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, aangezien dit een heel ander strafbaar feit betreft dan het in deze zaak tenlastegelegde feit.
Oordeel van het hof
Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Dat het onderhavige feit een ander soort feit betreft dan het feit waarvoor verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd gekregen, is geen reden om de tenuitvoerlegging daarvan niet alsnog te gelasten. Het hof wijst de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden onder parketnummer 10-318207-23 toe.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.177,93 (zesduizend honderdzevenenzeventig euro en drieënnegentig cent) bestaande uit € 177,93 (honderdzevenenzeventig euro en drieënnegentig cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.177,93 (zesduizend honderdzevenenzeventig euro en drieënnegentig cent) bestaande uit € 177,93 (honderdzevenenzeventig euro en drieënnegentig cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op - 25 augustus 2024 over een bedrag van € 37,98 - 30 augustus 2024 over een bedrag van € 139,95
en van de immateriële schade op 14 augustus 2024.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 februari 2024, parketnummer 10-318207-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Dolfing, mr. F.E.J. Goffin en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 maart 2026.
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlage opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 21 februari 2025, genummerd [onderzoeksnummer] / GLADIOOL, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina's 1 t/m 524 (procesdossier deel 1 en deel 2) en het proces-verbaal van 24 maart 2025 met hetzelfde onderzoeksnummer, doorgenummerde pagina's 525 t/m 531 (aanvullend procesdossier). Tenzij anders vermeld, zijn deze processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Pagina's 119 t/m 123.
Pagina's 124 t/m 126.
Pagina's 127 en 129.
Pagina's 83 t/m 89.
Pagina's 153 t/m 155.
Pagina's 339 t/m 343.
Pagina's 372 t/m 383.
Pagina's 267 t/m 278.
Pagina 279 t/m 286.
Pagina's 83 t/m 89.
Pagina 226 t/m 233.
Pagina 407 t/m 419.
Pagina 421 t/m 435. - - - ## Voetnoten