Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:1010 - Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden - 17 februari 2026

Arrest

ECLI:NL:GHARL:2026:101017 februari 2026

Arrest inhoud

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1266
uitspraakdatum: 17 februari 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
**[belanghebbende]**te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 16 mei 2024, nummer ARN 23/2642, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteurvan deBelastingdienst/Kantoor MKB Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een ambtshalve vastgestelde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.000. Bij beschikkingen is belastingrente berekend van € 306 en een verzuimboete opgelegd van € 369.
1.2. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Daarbij is verschenen en gehoord mr. A.P. Flinterman, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] en mr. [naam2] namens de Inspecteur.

2 Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende staat sinds 30 december 2013 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven met een eenmanszaak onder de branche aannemingsbedrijf.
2.2. Belanghebbende woont sinds 9 december 2021 aan de [adres1] te [woonplaats] . Daarvóór woonde hij aan de [adres2] te [woonplaats] .
2.3. De Inspecteur heeft belanghebbende in zijn brief van 28 februari 2019 uitgenodigd aangifte IB/PVV te doen over het jaar 2018.
2.4. De gemachtigde heeft op 14 maart 2019 verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte. De Inspecteur heeft het gevraagde uitstel verleend tot 1 mei 2020. De aangifte is niet vóór de gestelde datum ingediend.
2.5. De Inspecteur heeft met dagtekening 27 juli 2020 een herinnering tot het doen van aangifte verstuurd. Belanghebbende is in staat gesteld alsnog uiterlijk op 9 augustus 2020 aangifte te doen. De aangifte is niet vóór de hiervoor genoemde datum ingediend.
2.6. De Inspecteur heeft met dagtekening 26 augustus 2020 een aanmaning tot het doen van aangifte verstuurd. In de aanmaning is vermeld dat de aangifte uiterlijk op 8 september 2020 moest worden ingediend. Belanghebbende heeft de aangifte niet vóór de gestelde datum ingediend.
2.7. De Inspecteur heeft op 21 april 2021 de aanslag IB/PVV 2018 ambtshalve vastgesteld. Op dat moment was nog geen aangifte door belanghebbende ingediend. Het belastbare inkomen uit werk en woning (tevens het verzamelinkomen) is daarbij vastgesteld op € 45.000.
2.8. Belanghebbende heeft op 28 mei 2021 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2018. Gelijktijdig met het bezwaarschrift heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV 2018 ingediend. De aangifte is ingediend naar een verzamelinkomen van € 11.809. Daarbij is de winst uit de eenmanszaak berekend op € 28.416.
2.9. Naar aanleiding van verzoeken om informatie van de Inspecteur heeft de gemachtigde op 6 september 2022 een nieuwe berekening van de winst toegezonden. Daarin is de winst berekend op € 25.204. Daarbij is ook de jaarrekening meegezonden. In die jaarrekening is de winst berekend op € 25.204.

3 Geschil

3.1. In geschil is of de aanslag IB/PVV 2018 naar een juist bedrag is opgelegd.
3.2. De verzuimboete wegens het niet tijdig doen van aangifte is tussen partijen niet in geschil.
3.3. Tussen partijen is ook niet in geschil dat het belastbare inkomen uit werk en woning met een bedrag van € 3.574 moet worden verminderd wegens de toedeling van de inkomsten uit de eigen woning aan belanghebbende in plaats van aan zijn partner. Bovendien is niet in geschil dat een vermindering van de aanslag IB/PVV 2018 enkel op deze grond niet leidt tot een vergoeding van de proceskosten van belanghebbende.

4 Beoordeling van het geschil

Omkering en verzwaring van de bewijslast
4.1. Artikel 27e, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in samenhang gezien met artikel 27h, lid 2, van de AWR bepaalt dat het hoger beroep van de belastingplichtige moet worden afgewezen indien geen aangifte is gedaan, tenzij de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat de aanslag te hoog is. Daarmee leidt het niet doen van de vereiste aangifte op grond van artikel 27e, lid 1, van de AWR tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Bij de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast krijgt belanghebbende in plaats van de Inspecteur de bewijslast met betrekking tot de hoogte van de aanslag (omkering) en wordt bovendien de bewijslast verzwaard omdat belanghebbende niet slechts aannemelijk moet maken, maar moet doen blijken – dat is overtuigend aantonen – dat, en in hoeverre, de aanslag te hoog is.
4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de bewijslast omgekeerd en verzwaard dient te worden omdat de vereiste aangifte niet is gedaan. Het Hof ziet geen reden voor een andersluidend oordeel en volgt partijen hierin.
Redelijke schatting
4.3. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur niet van zijn verplichting het door hem in aanmerking genomen belastbare inkomen uit werk en woning niet naar willekeur vast te stellen. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen uit werk en woning van € 45.000 geschat op basis van de ingediende aangiften omzetbelasting, welke aangiften niet zijn gevolgd door suppletieaangiften en een omzet laten zien in 2018 van € 79.748. Bij het vaststellen van het belastbare inkomen uit werk en woning heeft de Inspecteur vervolgens rekening gehouden met een bedrag aan aftrekbare kosten alsmede met een bedrag aan ondernemersfaciliteiten en daarbij de gegevens uit 2017 (met een winst in 2017 van € 47.339) als referentie gebruikt. Gelet op deze werkwijze kan niet worden gezegd dat de schatting van het belastbare inkomen uit werk en woning van € 45.000 onredelijk of willekeurig is.
Tegenbewijs
4.4. Nu belanghebbende de juistheid van de voor de schatting gebruikte gegevens of de juistheid van de schatting van de Inspecteur betwist, dient hij daarvoor het verzwaarde tegenbewijs te leveren.[1] In dat geval moeten de feiten volledig worden bewezen, dat wil zeggen overtuigend worden aangetoond.[2] Dit betekent dat elke redelijke twijfel moet zijn uitgesloten.[3]
4.5. Het Hof acht het door belanghebbende geleverde bewijs niet dermate overtuigend dat daarmee elke redelijke twijfel is uitgesloten dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Hierbij acht het Hof het volgende van belang.
4.6. Allereerst wijkt de in de jaarrekening vermelde winstberekening af van de eerder ingediende aangifte (zie 2.8 en 2.9). Zo is de afschrijving op immateriële vaste activa (die was opgenomen in de aangifte) in de jaarrekening vervangen door afschrijving op materiele vaste activa en zijn de huisvestingkosten verminderd van € 6.056 tot € 56 zonder dat deze afschrijvingen en kosten en wijzigingen daarin door objectieve documenten worden gestaafd. Ook de gestelde huur van de werkruimte heeft belanghebbende niet onderbouwd met bijvoorbeeld feitelijke betalingen. Daarbij komt dat niet is gebleken dat belanghebbende beschikt over een zelfstandige werkruimte en dat hij de inkomsten hoofdzakelijk in de werkruimte heeft verworven. Ook zijn de autokosten en kantoorkosten in omvang veranderd gedurende de procedure, terwijl iedere onderbouwing van welke kostenpost dan ook ontbreekt. De stelling van belanghebbende dat het verschil in omzet zoals opgenomen in de aangiften omzetbelasting en de omzet zoals verantwoord in de jaarrekening gelegen is in de verkoop van een auto en dat die verkoop ten onrechte als omzet is geboekt en niet tot de winst behoort, is op geen enkele wijze met feitelijke gegevens onderbouwd. De enkele stelling van belanghebbende dat in de voorgaande jaren een lagere omzet is behaald, maakt niet dat in dit jaar uitgegaan moet worden van een lagere omzet. De in hoger beroep overgelegde grootboekkaarten 2018 maken vorenstaande niet anders.
4.7. Ten slotte is er een op een derdenrekening gestort bedrag van € 7.429,15, waarvan belanghebbende stelt dat dit kosten zijn die ten laste van de winst moeten worden gebracht. Met de overgelegde stukken heeft belanghebbende geenszins overtuigend aangetoond dat deze kosten in mindering op de winst moeten komen. Hierbij is van belang dat op basis van de stukken niet duidelijk is wat voor kosten dit bedrag zou betreffen. In de overgelegde grootboekkaarten met datum 3 januari 2023 is de omschrijving bij dit bedrag 'advieskosten', zo ook in de toelichting op de winst - en verliesrekening 2018. Vervolgens wordt onder andere bij de Rechtbank door de gemachtigde gesteld dat de kosten juridische bijstand ter zake van een conflict met een voormalige werknemer betreffen. Dat sprake is van dergelijke kosten blijkt echter niet uit het overgelegde betalingsbewijs. De Inspecteur heeft belanghebbende hierop gewezen. Eerst ter zitting bij het Hof stelt de gemachtigde dat het de betaling betreft van een loonvordering van de voormalige werknemer, terwijl dit niet uit de in het dossier aanwezige stukken blijkt. Zelfs indien dit bedrag aan kosten is gemaakt in verband met een loonvordering van de voormalige werknemer kan dit belanghebbende niet baten, nu hiermee niet overtuigend is aangetoond dat het bedrag aan kosten dat door de Inspecteur in aanmerking is genomen, te laag is.
Bewijsaanbod
4.8. Zoals in 4.7 is overwogen is namens belanghebbende gesteld dat het bedrag van € 7.429,15 ziet op advieskosten, vervolgens dat het advocaatkosten zijn en eerst ter zitting bij het Hof dat sprake is van een betaling van een loonvordering, zonder een onderbouwing met objectieve stukken waaruit het karakter van de betaling blijkt. Het bewijsaanbod van belanghebbende, eerst ter zitting bij het Hof, dat hij e-mailberichten tussen gemachtigde en de advocaat van de voormalige werknemer uit 2017 kan overleggen waaruit de schikking met de oud-werknemer en van de nadere afspraken zou blijken, wordt gepasseerd. Het Hof is van oordeel dat dit aanbod in een te laat stadium is gedaan en derhalve strijdig is met een doelmatige procesgang. Niet valt in te zien waarom belanghebbende niet in een eerdere fase die e-mailberichten waarover hij zegt te beschikken, heeft kunnen overleggen. Het bedrag van € 7.429,15 en de vraag waar dit bedrag nou precies op zag, waren al gedurende langere tijd in geschil.
Belastingrente
4.9. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de aanslag IB/PVV 2018 betreft (zie 3.3) wegens de toedeling van de inkomsten uit eigen woning.
Slotsom
      Op grond van hetgeen vermeld staat in 3.3 is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
Het Hof ziet, onder verwijzing naar 3.3, geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,
– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.426,
– vermindert de belastingrente dienovereenkomstig, en
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong-Braaksma) (A.E. Keulemans)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan **de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.**Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
  1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013: BX7184.
HR 26 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2766; HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2; HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1958, r.o. 4.2.3.
HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2. - - - ## Voetnoten
HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013: BX7184.
HR 26 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2766; HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2; HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1958, r.o. 4.2.3.
HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2.