Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:1009 - Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden - 17 februari 2026
Arrest
ECLI:NL:GHARL:2026:1009•17 februari 2026
Formele relaties
Arrest inhoud
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1232
uitspraakdatum: 17 februari 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de inspecteurvan deBelastingdienst/kantoor Enschede (hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 23 april 2024, nummer ARN 22/2545, ECLI:NL:RBGEL:2024:2553, in het geding tussen de Inspecteur en
de gemeente Hengelote Hengelo (hierna: belanghebbende)
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1. Belanghebbende heeft over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 op aangifte een bedrag van € 749.492 aan omzetbelasting voldaan.
1.2. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf van een bedrag van € 211.092, welk verzoek door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar is afgewezen.
1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en bepaald dat belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van € 66.210. Verder heeft de Rechtbank het verzoek tot vergoeding van belastingrente niet-ontvankelijk verklaard, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.370 en de Inspecteur opgedragen om het betaalde griffierecht van € 365 aan belanghebbende te vergoeden.
1.4. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] en [naam2] (intern fiscaal adviseur) als vertegenwoordigers van de Gemeente Hengelo (hierna: belanghebbende) bijgestaan door de gemachtigden van belanghebbenden drs. D. van der Zijden en P. van Barneveld MSc, alsmede namens de Inspecteur mr. [naam3] bijgestaan door mr. [naam4] , mr. [naam5] , [naam6] en mr. [naam7] . Het Hof heeft het onderzoek ter zitting gesloten, maar alvorens uitspraak te doen partijen in de gelegenheid gesteld met elkaar in overleg te treden allereerst tot 1 januari 2026 en later op verzoek van partijen tot 1 februari 2026. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat op 11 december 2025 in het digitale zaakdossier is geplaatst.
1.6. Op 28 januari 2026 heeft belanghebbende een door beide partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst aan het Hof toegezonden en het Hof namens beide partijen verzocht conform de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken uitspraak te doen.
2 Geschil en gronden
2.1. In geschil is of belanghebbende recht heeft op een teruggaaf omzetbelasting voor het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 ter hoogte van € 66.210.
2.2. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de volgende vragen:
– Moet bij de herziening van de btw-aftrek bij ingebruikname van het stadskantoor rekening worden gehouden met de verruimde sportvrijstelling of hoeft dat op grond van lid 2 van het overgangsrecht[1] niet; en
– Moet bij de btw-aftrek op facturen die betrekking hebben op de bouw van het stadskantoor en dateren van na 31 december 2018 rekening worden gehouden met de verruimde sportvrijstelling of hoeft dat op basis van het met de Belastingdienst gevoerde overleg niet?
2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de herziening bij ingebruikname van het stadskantoor in 2019 plaatsvindt op basis van 6,71% btw-aftrek, indien het overgangsrecht niet van toepassing is en dus rekening moet worden gehouden met de verruimde sportvrijstelling. Evenmin is in geschil dat het stadskantoor geen sportaccommodatie is.
2.4. Ter beslechting van het tussen hen bestaande geschil omtrent het vierde kwartaal van 2019 zijn partijen – bij wijze van compromis – het volgende overeengekomen:
– belanghebbende heeft over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 recht op een teruggaaf omzetbelasting van € 33.105;
– belanghebbende heeft recht op vergoeding van belastingrente conform de wettelijke bepalingen. Partijen hebben de belastingrente berekend op een bedrag van ongeveer € 10.262;
– belanghebbende doet geen aanvullend verzoek om vergoeding van Irimie-rente aangezien er geen omzetbelasting is geheven in strijd met het Unierecht;
– de Inspecteur vergoedt aan belanghebbende het in verband met het beroep betaalde griffierecht van € 365; en
– de Inspecteur vergoedt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten worden door partijen berekend op de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 2.370 vermeerderd met de kosten van het hoger beroep van € 1.814 (verweerschrift, bijwonen zitting x wegingsfactor 1 x € 907).
2.5. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.
2.6. Verder zijn door partijen afspraken gemaakt die niet rechtstreeks betrekking hebben op het bedrag dat over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 op aangifte is voldaan, op de daarmee samenhangende belastingrente, of op de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het gaat daarbij om afspraken over bijvoorbeeld de over het jaar 2019 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting, de geldigheidsduur van de overeenkomst, de afstand van rechtsmiddelen en het afzien van schadeclaims. Het Hof verwijst daarvoor naar de tekst van de door partijen ondertekende overeenkomst, waarvan een afschrift tot het dossier behoort.
3 Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskostenvergoeding,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
– verleent aan belanghebbende over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 een teruggaaf omzetbelasting van € 33.105 vermeerderd met de conform de wettelijke bepalingen berekende belastingrente, en
– veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende van het hoger beroep tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. M. Harthoorn en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(S. Darwinkel) (A.E. Keulemans)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan **de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.**Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Artikel XXV, Belastingplan 2019. - - - ## Voetnoten