Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2025:8660 - Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden - 30 december 2025

Arrest

ECLI:NL:GHARL:2025:866030 december 2025

Arrest inhoud

zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 3 juli 2024, betreffende
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 75,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 530,75. Bij herstelbeslissing van 7 februari 2025 is het bedrag van de sanctie gecorrigeerd in € 262,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om daarop te reageren.

De beoordeling

  1. De advocaat-generaal voert aan dat het hoger beroep te laat is ingesteld. De herstelbeslissing van de kantonrechter is op 7 februari 2025 aan de gemachtigde verzonden en het beroepschrift is op 16 juli 2025 ontvangen.
  1. De gemachtigde voert aan dat hij de herstelbeslissing van de kantonrechter pas op 3 juli 2025 heeft ontvangen. Het hoger beroep is dus wel tijdig ingesteld.
  1. Tegen de beslissing van de kantonrechter kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld. Dat volgt uit de artikelen 13, derde lid, en 14 van de Wahv en de artikelen 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De termijn voor het instellen van hoger beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd.
  1. In de beslissing van de kantonrechter van 3 juli 2024 staat in het dictum dat de sanctie is gematigd tot een bedrag van € 75,-.
  1. Op 7 februari 2025 heeft de kantonrechter een herstelbeslissing gegeven, waarbij het gematigde sanctiebedrag is gecorrigeerd in € 262,50. In deze beslissing heeft de kantonrechter overwogen dat aan de betrokkene een nieuwe beroepstermijn moet toekomen. Door de misslag in de beslissing van de kantonrechter is namelijk ten onrechte de indruk gewekt dat geen hoger beroep kon worden ingesteld. Daarvoor is immers nodig dat het bedrag van de sanctie hoger is dan € 110,-. In de rechtsmiddelenclausule is vermeld dat tegen deze beslissing binnen zes weken hoger beroep kan worden ingesteld.
  1. De beslissing van de kantonrechter van 3 juli 2024 is op 2 augustus 2024 aan de gemachtigde verzonden. De beroepstermijn eindigde dus op 13 september 2024. De herstelbeslissing van de kantonrechter maakt niet dat er een nieuwe beroepstermijn is aangevangen (vgl. ABRvS 6 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK3332, ABRvS 21 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN2476, CRvB 25 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9421 en CRvB 19 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX2459). De overweging van de kantonrechter in de herstelbeslissing dat aan de betrokkene een nieuwe beroepstermijn moet toekomen, vindt derhalve geen steun in het recht.
  1. Het beroepschrift is gedateerd 16 juli 2025 en op diezelfde datum door de rechtbank ontvangen. Het hoger beroep is dan ook niet tijdig ingesteld.
  1. De gemachtigde heeft aangevoerd dat tegen de op 2 augustus 2024 toegezonden beslissing van de kantonrechter geen hoger beroep is ingesteld, omdat in het dictum van die beslissing is vermeld dat het bedrag van de sanctie lager is dan € 110,-. De gemachtigde heeft de betrokkene geïnformeerd dat de kantonrechter het bedrag van de sanctie op € 75, - had bepaald en dat hoger beroep niet mogelijk is.
  1. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt - kort gezegd - dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.
  1. Het hof stelt voorop dat van een professionele gemachtigde mag worden verwacht dat hij ervan op de hoogte is wanneer en hoe hoger beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van de kantonrechter. Het enkele feit dat een rechtsmiddelenclausule onder de beslissing van de kantonrechter niet de juiste informatie daaromtrent bevat, maakt niet dat een gemachtigde niet kan worden toegerekend dat hij geen hoger beroep heeft ingesteld. Daar komt in dit geval nog bij dat onder de op 2 augustus 2024 toegezonden beslissing van de kantonrechter niet een op de zaak toegespitste rechtsmiddelenclausule is opgenomen, maar slechts een algemene rechtsmiddelenclausule, luidende dat hoger beroep kan worden ingesteld als de boete meer dan € 110, - bedraagt.
  1. Het dictum van de op 2 augustus 2024 toegezonden beslissing van de kantonrechter vermeldt dat de sanctie is gematigd tot een bedrag van € 75,-. In de overwegingen van de beslissing van de kantonrechter is echter vermeld dat het bedrag van de sanctie wordt gematigd met 25 procent, omdat de redelijke termijn van berechting is overschreden en dat de gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd het op 10 mei 2022 als bestuurder tijdens het rijden vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat betreft. Het daarbij behorende sanctiebedrag is niet € 100,-, maar € 350,-. Bij een nauwkeurige bestudering van de beslissing van de kantonrechter had de gemachtigde kunnen zien dat dit een kennelijke verschrijving betrof en dat wel hoger beroep kon worden ingesteld.
  1. Naar het oordeel van het hof is de gemachtigde tekort geschoten in zijn verantwoordelijkheid als professionele rechtsbijstandsverlener. Dit betekent dat zich hier niet de situatie voordoet dat hem niet kan worden toegerekend dat hij niet (tijdig) hoger beroep heeft ingesteld tegen de (op 2 augustus 2024 toegezonden) beslissing van de kantonrechter. De omstandigheid dat in de herstelbeslissing van de kantonrechter is vermeld dat de betrokkene een nieuwe beroepstermijn van zes weken moet toekomen doet daaraan niet af nu deze vermelding niet ertoe heeft geleid dat de gemachtigde niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld.
  1. Gelet op het voorgaande zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten in hoger beroep af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.