Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2025:8207 - Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden - 18 december 2025
Arrest
ECLI:NL:GHARL:2025:8207•18 december 2025
Arrest inhoud
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 28 maart 2025, betreffende
wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 187,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toekgekend tot een bedrag van € 453,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250, - voor: "doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat". Deze gedraging zou zijn verricht op 28 september 2022 om 16.52 uur op de Nijmeegseweg in Arnhem met het voertuig met het kenteken [kenteken].
- De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 187,50 omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de ambtenaar niet direct zicht had op het verkeerslicht. Dat volgt ook uit het aanvullend proces-verbaal waarin de ambtenaar schrijft dat hij zelf groen licht had. Dat is wel vereist om de gedraging vast te kunnen stellen.
- De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
"Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 3,00 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. (…) Reden geen staandehouding: voertuig reed met hoge snelheid door rood van verbalisant af."
- Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal waarin de ambtenaar onder meer verklaart:
"Op genoemde dag en tijdstip stond ik stil op het fietsgedeelte voor het rode verkeerslicht op de kruising Nijmeegseweg/Meldestraat. Het betreft de kruising van de Meldestraat met de rijstroken van de Nijmeegsweg in de richting van de John Frostbrug. Ik zag dat een auto op de Nijmeegseweg komende uit de richting van het Nijmeegseplein op een gegeven moment afremde en stopte voor het verkeerslicht op de kruising Nijmeegseweg/Meldestraat/Zeegsingel. Ik zag dat deze auto op de linker rijstrook voor rechtdoor stilstond.Ik zag dat het verkeerslicht voor mij groen licht uitstraalde. Op het moment dat ik optrok zag ik dat er via de rechter rijstrook voor rechtdoor een auto zonder af te remmen doorreed. Ik zag dat deze auto, een witte Mercedes voorzien van het kenteken [kenteken], met vrij hoge snelheid doorreed en de kruising overstak. Ik schrok hiervan en ben gestopt. Toen ik zag dat de witte Mercedes door bleef rijden in de richting van de Akeleistraat, ben ik verder gereden."
- Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat hij niet rechtstreeks zicht had op het verkeerslicht in de rijrichting van de betrokkene toen de betrokkene dit passeerde. Voor het opleggen van de onderhavige sanctie is dat ook niet vereist. Wel moet hetgeen de ambtenaar omtrent de werking van de verkeerslichtinstallatie verklaart, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de betrokkene is doorgereden terwijl het verkeerslicht rood uitstraalde. Dat de ambtenaar zelf al enkele seconden groen licht had en dat een andere auto in dezelfde richting als de betrokkene bleef staan is onvoldoende. Het had op de weg van de ambtenaar gelegen om onderzoek te doen naar de (juiste) werking van de verkeersregelinstallatie ten tijde van de gedraging. Dat heeft hij niet gedaan. Het dossier biedt onvoldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. De inleidende beschikking kan dan ook niet in stand blijven.
- De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De gemachtigde voert aan dat artikel 13a van de Wahv achterwege gelaten moet worden (het hof begrijpt: de factor bedoeld in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv buiten toepassing gelaten) omdat tot in hoger beroep doorgeprocedeerd moet worden voordat erkend wordt dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht en dat de ambtenaar inderdaad geen rechtstreeks zicht had op het verkeerslicht. De proceskostenvergoeding zou anders evident onredelijk uitpakken bezien de handelswijze van het openbaar ministerie. Los daarvan is ook geen sprake van het verlenen van rechtsbijstand op basis van no-cure-no-pay.
- Naar het oordeel van het hof is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat van de gebruikelijke vergoeding moet worden afgeweken. Dat een reeds aangevoerde grond eerder in de procedure anders is beoordeeld, maakt niet dat de proceskostenvergoeding evident onredelijk uitpakt. Een rechtsmiddel kan worden aangewend om bezwaren tegen een beslissing aan te voeren. Als een betrokkene dan (alsnog) gelijk krijgt, worden de kosten van de ingestelde rechtsmiddelen vergoed. De inleidende beschikking wordt in dit geval in hoger beroep vernietigd en dit brengt mee dat ook gemaakte proceskosten in de fase van het administratief beroep en het beroep bij de kantonrechter worden vergoed. De gemachtigde heeft niet toegelicht waarom evident onredelijk is dat (in hoger beroep) artikel 13a, tweede lid, van de Wahv wordt toegepast.
- Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift en een nadere toelichting daarop dienen in totaal 3,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647, - en voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25 (vgl. het arrest van het hof van 3 november 2025, ECLI:NL:GHARL;2025:6853). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 947,06 (= (1 x € 647, - x 0,5) + (1 x € 907, - x 0,5) + (1,5 x € 907, - x 0,5 x 0,25)).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 947,06.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.