Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2025:8186 - Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden - 18 december 2025
Arrest
ECLI:NL:GHARL:2025:8186•18 december 2025
Arrest inhoud
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 13 november 2024, betreffende
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 28 mei 2025 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene bij het hof ingekomen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Bij brief van 2 juli 2025 heeft het hof de gemachtigde om nadere informatie gevraagd.
Op 17 juli 2025 is nadere informatie van de gemachtigde bij het hof ingekomen.
De advocaat-generaal heeft hierop bij schrijven van 28 augustus 2025 op gereageerd.
De beoordeling
- De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden, omdat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld zijn gronden schriftelijk aan te vullen. De gemachtigde heeft de gronden niet schriftelijk kunnen aanvullen. De gemachtigde merkt hierbij op dat de beslissing van de officier van justitie in deze zaak dateert van na 1 oktober 2023 en dat er nog vele andere zaken zijn waarin de officier van justitie ook na 1 oktober 2023 niet heeft gehoord. Zelfs nu nog, in 2025, wordt de hoorplicht regelmatig geschonden. De gemachtigde stelt dat dit een zodanig structureel karakter heeft dat hieraan consequenties moet worden verbonden.
- Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift heeft verzocht om te worden gehoord en dat de officier van justitie daarvan heeft afgezien, omdat een (extra) schriftelijke ronde is geboden. Dit betreft echter geen grond waarop van horen kon worden afgezien (zie het arrest van dit hof van 17 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6930). Ook anderszins doen zich geen gronden voor waarop van horen kon worden afgezien. De gemachtigde is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De kantonrechter heeft dit miskend. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Hetgeen verder met betrekking tot die beslissingen is aangevoerd behoeft daarmee geen bespreking meer. Ter beoordeling van het hof staat het beroep tegen de inleidende beschikking.
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380, - voor: "als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden". Deze gedraging zou zijn verricht op 15 april 2023 om 12:05 uur op het Viaduct Caland Vaill in
's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
- De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat ten onrechte geen staandehouding van de bestuurder heeft plaatsgevonden. Het voertuig stond regelmatig vast in de verkeersdrukte, terwijl de verbalisant op de e-bike was, en dus tussen het verkeer door kon rijden. Ook blijft onduidelijk waaruit de verbalisant heeft afgeleid dat het om een mobiele telefoon ging.
- Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
- De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
"Ik (…) zag dat bestuurder van het genoemde voertuig een telefoon vasthield tijdens het rijden. (…)
Reden geen staandehouding: vanwege verkeersdrukte en omdat ik op de bike was." (…)
- Het dossier bevat ook een aanvullend proces-verbaal van 5 juli 2024. Hierin verklaart de ambtenaar:
" Op genoemde dag datum en tijdstip zag ik dat de bestuurder van een personenauto Opel Corsa blauw van kleur mij passeren terwijl ik onder het Caland viaduct op het fietspad stond. Ik zag dat de bestuurder een apparaat vasthield dat ik herkende als een telefoon (…). Mijn intentie was om de bestuurder een stopteken te geven om hem staande te houden en om een verklaring te vragen. Echter vanwege de verkeersdrukte en omdat ik op de fiets was lukte het mij niet (…). Om deze reden ervoor gekozen om het proces-verbaal uit te schrijven op kenteken."
- Het hof ziet in wat de gemachtigde aanvoert geen reden te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de bestuurder van het voertuig een telefoon vasthield. Wat de gemachtigde aanvoert betreft in feite een enkele ontkenning van de gedraging. Dit is onvoldoende om te twijfelen aan de verklaringen van de ambtenaar. Dat de ambtenaar niet heeft aangegeven hoe hij de telefoon als zodanig heeft herkend geeft geen reden aan deze verklaring te twijfelen. Aldus kan op basis van de verklaringen van de ambtenaar worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
- Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
- Voormelde verklaringen van de ambtenaar houden genoegzaam in dat zich geen reële mogelijkheid heeft voorgedaan tot staandehouding van de bestuurder. Dat de verbalisant het voertuig van de betrokkene, ondanks de verkeersdrukte en het feit dat hij zelf op de fiets was, wel had kunnen bereiken, is door gemachtigde slechts gesteld, maar niet aannemelijk geworden. De sanctie is terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
- Met betrekking tot de hierboven onder 2. geconstateerde schending van de hoorplicht door de officier van justitie en eventueel daaraan te verbinden consequenties, overweegt het hof nog als volgt.
- In het onder 2. genoemde arrest van 17 augustus 2023 heeft het hof geoordeeld dat in situaties als deze sprake is van een structurele schending van de hoorplicht, maar dat deze schending niet leidt tot matiging van het sanctiebedrag onder meer omdat de gemachtigde een extra schriftelijke ronde heeft gekregen om het standpunt van de betrokkene naar voren te brengen. Zoals de advocaat-generaal in het verweerschrift heeft erkend, is in deze zaak geen schriftelijke ronde aangeboden, omdat niet kan worden vastgesteld dat de daartoe strekkende brief is verzonden. Gelet hierop kan in dit geval niet worden gezegd dat is voldaan aan de voorwaarde waaronder de structurele schending van de hoorplicht niet leidt tot matiging van het sanctiebedrag. Het hof ziet hierin aanleiding om het bedrag van de sanctie in deze zaak te matigen met 25 procent.
- Nu het bedrag van de sanctie wordt gematigd, wordt de betrokkene in het gelijkgesteld als bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336) en komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking.
- De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de schending van de hoorplicht. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift en een nadere toelichting daarop dienen in totaal 2,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt en gelet op het arrest van 3 november 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:6853), wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25.
- Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 623,56 (= (1 x € 907, - x 0,5) + (1,5 x € 907, - x 0,5 x 0,25)).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 285,-;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv teveel tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 623,56.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.