Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2025:6712 - Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden - 28 oktober 2025

Arrest

ECLI:NL:GHARL:2025:671228 oktober 2025

Arrest inhoud

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.359.042
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 11446778
arrest in het incident van 28 oktober 2025
in de zaak van

1 [appellant1]

die woont in [woonplaats1]
die woont in [woonplaats1]
die woont in [woonplaats1]
die woont in [woonplaats2] ( [land] )
die woont in [woonplaats2] ( [land] )
hierna samen: huurders
advocaat: mr. D.F. Briedé
en

1 De Fontein B.V.

die is gevestigd in Lelystad
2. HUB de Fontein Exploitatie B.V., voorheen handelend onder de naam De Fontein II B.V.
die is gevestigd in Veenendaal
hierna samen: De Fontein c.s.
advocaat: mr. S.J. van Susante

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

Huurders hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de kantonrechter) op 2 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

2 De kern van de zaak

2.1. De Fontein c.s. zijn eigenaar van een camping. Op het moment dat De Fontein c.s. de camping hebben gekocht van de vorige eigenaar werden al standplaatsen gehuurd door huurders, op basis van overeenkomsten met die vorige eigenaar. Op die standplaatsen staan stacaravans of chalets waarvan huurders eigenaar zijn. De Fontein c.s. willen de camping vernieuwen en hebben huurders op de hoogte gebracht van hun plannen voor de herontwikkeling van de camping. In verband met deze herontwikkeling zagen De Fontein c.s. zich genoodzaakt om de bestaande huurovereenkomsten met huurders op te zeggen. Bij brieven van 22 november 2023 hebben De Fontein c.s. de overeenkomsten met huurders opgezegd tegen 31 december 2024. Tussen partijen is in geschil of die opzeggingen rechtsgeldig hebben plaatsgevonden.
2.2. Huurders hebben bij de kantonrechter (in conventie) onder andere gevorderd voor recht te verklaren dat de huurovereenkomsten in strijd zijn met de consumentenrichtlijnen, dat door De Fontein c.s. onrechtmatig althans in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid is gehandeld en dat de huurovereenkomsten doorlopen en pas onder voorwaarden kunnen worden opgezegd. Subsidiair hebben huurders gevorderd De Fontein c.s. te veroordelen tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat in geval de huuropzegging rechtmatig is geweest. De Fontein c.s. hebben (in reconventie) onder andere een verklaring voor recht gevorderd dat de huurovereenkomsten met huurders rechtsgeldig zijn opgezegd per 31 december 2024 en dat huurders zonder recht of titel op de betreffende jaarplaatsen verblijven, met veroordeling van huurders om de jaarplaatsen te ontruimen, op straffe van verbeurte van een dwangsom bij overtreding.
2.3. De kantonrechter heeft onder andere voor recht verklaard dat De Fontein c.s. de huurovereenkomsten met huurders rechtsgeldig per 31 december 2024 hebben opgezegd en huurders veroordeeld om alle jaarplaatsen (met uitzondering van jaarplaats [nummer] die [appellant3] heeft gehuurd) vóór 1 november 2025 te ontruimen en ter beschikking te stellen aan De Fontein c.s., op straffe van een dwangsom. Ten aanzien van jaarplaats [nummer] heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant3] deze, op straffe van een dwangsom, vóór 1 januari 2026 moet ontruimen en ter beschikking stellen aan De Fontein c.s. De kantonrechter heeft verder De Fontein c.s. veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan huurders, nader op de te maken bij staat. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.4. Huurders zijn in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis en hebben ook een incidentele vordering ingesteld op grond van artikel 351 Rv. Zij vorderen de schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis gedurende de procedure in hoger beroep.
2.5. Het hof zal de incidentele vordering van huurders tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis afwijzen en legt hierna uit hoe het tot dat oordeel is gekomen.

3 De toelichting op de beslissing van het hof

Het juridisch kader
3.1. De kantonrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat volgens de kantonrechter het belang van De Fontein c.s. om verder te gaan met de herstructurering zwaarder weegt dan de belangen van huurders om de chalets en stacaravans langer te kunnen blijven gebruiken en te verhuren. De kantonrechter laat daarbij meespelen dat sinds de huuropzegging al anderhalf jaar is verstreken. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter gelet op deze overweging een, weliswaar summier, gemotiveerde beslissing genomen over de toewijzing van de gevorderde uitvoerbaarverklaring en een belangenafweging gemaakt. Niet blijkt dat (zoals door huurders is aangevoerd) de kantonrechter zich bij de belangenafweging heeft beperkt tot de vaststelling van een ontruimingstermijn.
3.2. Nu de kantonrechter haar beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in het vonnis heeft gemotiveerd, kan het hof de tenuitvoerlegging alleen schorsen als blijkt dat de beslissing van de kantonrechter op een duidelijke fout of vergissing (een 'kennelijke misslag') berust. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken.[1]
De beoordeling door het hof
3.3. Huurders hebben niet gesteld dat het bestreden vonnis berust op een kennelijke misslag. Ook hebben zij niet, althans onvoldoende, gesteld dat zich na het bestreden vonnis nieuwe feiten hebben voorgedaan die kunnen rechtvaardigen dat van dat vonnis wordt afgeweken. Huurders hebben enkel aangevoerd dat de executie volgens hen zal leiden tot een noodtoestand omdat zij daardoor onherstelbare schade zullen lijden, terwijl De Fontein c.s. geen spoedeisend belang heeft bij de executie van het vonnis. Dit betreft echter een belangenafweging waarvoor – zoals hiervoor besproken – in dit incident geen plaats meer is. De huurders hebben een beroep gedaan op een eerdere uitspraak van het hof waarin de uitvoerbaarverklaring werd geschorst na een belangenafweging door het hof. Die uitspraak gaat echter over een andere situatie, namelijk waarin de kantonrechter de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad niet had gemotiveerd, terwijl dat hier wel het geval is. Bovendien betreft het lijden van schade door huurders geen nieuw feit waarmee de kantonrechter geen rekening heeft kunnen houden. Inherent aan de uitvoering van het vonnis is namelijk dat huurders kosten moeten maken voor het ontruimen van de standplaatsen.
3.4. Huurders hebben nog aangevoerd dat zij gelet op artikel 6 EVRM het recht hebben op een daadwerkelijk effectief rechtsmiddel. Als zij vóór de beslissing in hoger beroep hun chalets en standplaatsen verliezen, wordt volgens hen dat recht illusoir. Het hof begrijpt deze stelling zo dat huurders menen dat bij een executie van het vonnis (de ontruiming van de standplaatsen), onomkeerbare gevolgen ontstaan in die zin dat – als hun vordering wordt toegewezen in hoger beroep – het verlies van hun chalets en standplaatsen niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Dit maakt echter naar het oordeel van het hof nog niet dat huurders geen effectief rechtsmiddel meer toekomt.
De conclusie
3.5. Het hof wijst de incidentele vordering af. Omdat huurders in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof huurders veroordelen tot betaling van de kosten van dit incident. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.[2]
3.6. De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4 De beslissing

Het hof:
in het incident
4.1. wijst de vordering af;
4.2. veroordeelt huurders tot betaling van de proceskosten van het incident van De Fontein c.s. ter hoogte van € 1.214, - aan salaris van de advocaat van De Fontein c.s. (1 procespunt x het toepasselijke tarief II);
4.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.4. bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.5. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, G.A. Diebels en R. Verkijk en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:2026)
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:853) - - - ## Voetnoten
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:2026)
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:853)