Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:478 - Gerechtshof Amsterdam - 3 februari 2026
Arrest
ECLI:NL:GHAMS:2026:478•3 februari 2026
Arrest inhoud
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002278-22
Datum uitspraak: 3 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 augustus 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-299367-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
20 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte bij voormeld vonnis veroordeeld voor feit 1 meer subsidiair (aan zijn schuld te wijten dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt) en feit 2 subsidiair (het medeplegen van zware mishandeling).
Namens de verdachte is op 22 augustus 2022 hoger beroep ingesteld. Blijkens de akte rechtsmiddel is het hoger beroep alleen gericht tegen de bewezenverklaring van feit 2. Dat betekent dat het onder 1 bewezenverklaarde in hoger beroep niet voorligt en het hof geen oordeel toekomt met betrekking tot de beslissingen over dat feit. Voor dat onder 1 bewezenverklaarde feit zal het hof, nu het vonnis – voor zover in hoger beroep aan de orde – zal worden vernietigd waar het betreft de strafoplegging, toepassing geven aan het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en de straf voor het onder 1 bewezenverklaarde bepalen.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank op 26 juli 2022 toegelaten wijziging en voor zover in hoger beroep aan de orde is, aan de verdachte tenlastegelegd dat:
2 primairhij op of omstreeks 19 augustus 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, - de hond " [naam] ", een Amerikaanse Stafford, die niet aangelijnd was, op die [benadeelde partij 1] heeft losgelaten, terwijl de hond op dat moment een agressieve houding aannam door op zijn achterpoten te gaan staan en/of - ( vervolgens) de hond " [naam] " niet heeft tegengehouden en/of van die [benadeelde partij 1] heeft weggetrokken, terwijl hij die [benadeelde partij 1] eenmaal, althans meerdere malen, in zijn gezicht werd gebeten en/of - vervolgens die voornoemde [benadeelde partij 1] heeft geduwd en vervolgens, terwijl die [benadeelde partij 1] op de grond ligt, meermalen, althans eenmaal in/tegen het gezicht en/of het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of - die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal in/tegen de buik en/of het gezicht en/of het hoofd heeft geschopt en/of - ( daarbij) dreigend de woorden toegevoegd "Laat me mijn pistool niet pakken" en/of 'ik ga je doodmaken" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2 subsidiairhij op of omstreeks 19 augustus 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [benadeelde partij 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een afgebeten oor en/of een afgebeten neus en/of één of meerdere (open) (bijt)wond(en) in het gezicht en/of aan de arm(en) en/of hand(en) en/of (een) ontsierend(e) litteken(s) in het (aan)gezicht, heeft toegebracht door - de hond " [naam] ", een Amerikaanse Stafford, die niet aangelijnd was, op die [benadeelde partij 1] heeft losgelaten, terwijl de hond op dat moment een agressieve houding aannam door op zijn achterpoten te gaan staan en/of - ( vervolgens) de hond " [naam] " niet heeft tegengehouden en/of van die [benadeelde partij 1] heeft weggetrokken, terwijl hij die [benadeelde partij 1] eenmaal, althans meerdere malen, in zijn gezicht werd gebeten en/of - vervolgens die voornoemde [benadeelde partij 1] heeft geduwd en vervolgens, terwijl die [benadeelde partij 1] op de grond ligt, meermalen, althans eenmaal in/tegen het gezicht en/of het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of - die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal in/tegen de buik en/of het gezicht en/of het hoofd heeft geschopt;
2 meer subsidiairhij op of omstreeks 19 augustus 2021 te Amsterdam. althans in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Wisseloord, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1] , welk geweld bestond uit - de hond " [naam] ", een Amerikaanse Stafford, die niet aangelijnd was, op die [benadeelde partij 1] heeft losgelaten, terwijl de hond op dat moment een agressieve houding aannam door op zijn achterpoten te gaan staan en/of - ( vervolgens) de hond " [naam] " niet heeft tegengehouden en/of van die [benadeelde partij 1] heeft weggetrokken. terwijl hij die [benadeelde partij 1] eenmaal, althans meerdere malen, in zijn gezicht werd gebeten en/of - vervolgens die voornoemde [benadeelde partij 1] heeft geduwd en vervolgens, terwijl die [benadeelde partij 1] op de grond ligt. meermalen, althans eenmaal in/tegen het gezicht en/of het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of - die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal in/tegen de buik en/of het gezicht en/of het hoofd heeft geschopt;
2 meest subsidiairhij op of omstreeks 19 augustus 2021 te Amsterdam, althans in Nederland. grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig. onachtzaam en/of nalatig de onder zijn gezag staande hond [naam] (ras Amerikaanse Stafford), onvoldoende onder controle heeft gehad/gehouden, waardoor de hond meermalen, althans eenmaal, in het oor en/of de neus en/of elders in het gezicht en/of aan de arm(en) en/of hand(en) van [benadeelde partij 1] heeft kunnen bijten en/of heeft gebeten,
immers heeft hij de hond in strijd met het aanlijngebod en/of muilkorfgebod niet aangelijnd en/of niet gemuilkorfd op een openbare plaats laten verblijven en/of spelen, terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de hond zonder strikte begeleiding en/of controle een gevaar voor de omgeving vormt, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een afgebeten oor en/of een afgebeten neus en/of één of meerdere (open) (bijt)wond(en) in het gezicht en/of (bijt)wond(en) aan de arm(en) en/of hand(en) en/of (een) ontsierend(e) littekens(s) in het (aan)gezicht, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke was ontstaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Vrijspraak
Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Bewijsoverwegingen
Redengevende feiten en omstandigheden
Op 19 augustus 2021 te Amsterdam is [benadeelde partij 1] 's avonds op straat aangevallen. [benadeelde partij 1] heeft daarvan op 25 augustus 2021 aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij werd aangesproken door een man die hij NN1 noemt en omschrijft als kaal, met een lichtbruine huidskleur en gouden tanden. Hij heeft NN1 vaker in de buurt gezien met zijn zwarte hond, die hij nu ook bij zich had, en zijn familie zou wonen in de [adres 2] . NN1 had de hond vast en zette hem op zijn achterpoten voor de aangever; de hond kwam bij hem tot borsthoogte. Aangever zag dat de hond opgefokt was en wilde gaan aanvallen. Hij weet dat NN1 de hond toen op hem afgestuurd heeft; de riem was los. Aangever werd geschopt en geslagen, kwam op de grond terecht, de hond liep om hem heen en heeft hem meerdere keren in het gezicht gebeten. Aangever zag dat hij zijn telefoon en pinpas was verloren.[1]
Op 14 september 2021 heeft de politie [benadeelde partij 1] een foto van de verdachte getoond. Aangever heeft op de foto zonder twijfel NN1 herkend, de man die hij uit de buurt kent, die hem aansprak en die de hond op hem heeft afgestuurd.[2]
Op 16 mei 2022 heeft [benadeelde partij 1] tegenover de rechter-commissaris als volgt verklaard. De hond was eerst aangelijnd. [benadeelde partij 1] (het hof begrijpt: NN1) heeft de hond losgemaakt, van de ketting af. Hij zette de hond op zijn achterpoten en hield hem vast om hem overeind te houden. NN1 liet de hond los om [benadeelde partij 1] aan te vallen. [benadeelde partij 1] viel of werd geduwd en kwam op de grond terecht. De hond kwam aanrennen en viel hem aan. De hond greep hem in het gezicht en bij de arm. De hond had hem beet en bleef vasthouden. Pas na een hele tijd liet de hond los; hij trok de lip van [benadeelde partij 1] mee. [benadeelde partij 1] heeft zowel NN1 als de hond eerder gezien, in de buurt.[3]
Gezien de letselrapportage van de GGD Amsterdam met fotobijlage had [benadeelde partij 1] onder meer bijtwonden aan zijn oor, neus, mond en wang, hals, armen en handen. Het letsel aan het oor, de neus en het aangezicht vereisen nadere plastisch-chirurgische reconstructie, waarna naar verwachting sprake zal zijn van blijvende littekens.[4]
Een omwonende heeft een filmopname gemaakt van het incident; de opname duurt 27 seconden. De verbalisant die de beelden heeft bekeken, beschrijft dat een man op de grond ligt en dat de hond bij het gezicht van deze man staat. Hij ziet dat de hond zwart/donkergrijs van kleur is, met op zijn buik een wit vlak, dat doorloopt tot in zijn nek. Tussen de achterpoten heeft de hond ook een wit vlak. Verbalisant ziet dat de man (het hof begrijpt: [benadeelde partij 1] ) opstaat en in de richting loopt van NN1 (zo noemt hij deze man voor de duidelijkheid) en de hond. Hij ziet dat NN1 de hond vastheeft. Hij ziet dat [benadeelde partij 1] in de richting schopt van NN1 en de hond, uit balans raakt en op de grond valt. Hij ziet dat NN1 de hond los laat en dat de hond in de richting van [benadeelde partij 1] loopt. NN1 loopt dan ook naar [benadeelde partij 1] .[5]
Onder meer op de buitenkant van de spijkerbroek van [benadeelde partij 1] is een haar aangetroffen. Door het NFI is vergelijkend onderzoek gedaan naar deze haar (referentiemonster [AAPB6744NL]) en een haar van de hond van de verdachte genaamd [naam] (referentiemonster [AAPN5902NL]).[6] Op verzoek van de verdediging heeft het NFI nader onderzoek gedaan naar deze monsters. Voor het formuleren van de conclusies over het vergelijkend onderzoek aan de ene haar van de spijkerbroek (van [benadeelde partij 1] ) [AAPB6744NL] en het referentiemonster van hond [naam] [AAPN5902NL] (…), zijn de volgende hypotheses beschouwd:
Hypothese 1: Deze dierharen zijn van dezelfde hond afkomstig.
Hypothese 2: Deze dierharen zijn van twee willekeurige honden afkomstig.
De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is dan wanneer hypothese 2 waar is.[7]
Ter terechtzitting in eerste aanleg op 26 juli 2022 heeft de verdachte verklaard dat hij een kaal hoofd heeft en drie gouden tanden en dat hij wel eens op de [adres 2] verblijft.[8] Ter terechtzitting in hoger beroep op 20 januari 2026 heeft de verdachte verklaard dat hij op het moment van het tenlastegelegde drie gouden tanden had; twee voortanden en één zij-tand en dat hij destijds dagelijks in de [adres 2] verbleef bij familie, om te douchen en te eten. Nog steeds komt hij regelmatig op dat adres, omdat zijn broer daar nu woont. Hij heeft voorts verklaard dat zijn hond [naam] zwart was met witte vlekken op de staart, poten en de borst.
In een risico analyse met betrekking tot de hond [naam] , type Amerikaanse Staffordshire terriër, wordt deze omschreven als donkergrijs met witte vlekken op hals regio onder en op tenen links en rechts aan voor - en achterpoten.[9]
Conclusie van het hof
In het licht van de beschreven feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de hond die [benadeelde partij 1] heeft aangevallen [naam] is, de hond van de verdachte. Voorts is het hof van oordeel, gezien de gedetailleerde aangifte, de nadere verklaringen van de aangever waaronder de fotoherkenning en de eigen verklaring van de verdachte zoals genoemd, dat zonder twijfel kan worden vastgesteld dat NN1, de man met de hond die deze hond [naam] met opzet op [benadeelde partij 1] heeft losgelaten, de verdachte is.
De door de verdediging opgeworpen mogelijkheid, dat de verdachte die avond naar een voetbalwedstrijd heeft gekeken en dat ook anderen de hond [naam] uitlieten, beschouwt het hof niet als een voldoende onderbouwd alternatief scenario dat afdoende tegenwicht biedt aan het belastende karakter van de beschreven feiten en omstandigheden. Het hof heeft daarbij meegewogen dat de verdachte op geen enkel moment heeft verklaard dát [naam] op die bewuste avond door iemand anders is uitgelaten, laat staan door wie dat dan zou zijn gebeurd.
Het bewijsverweer van de raadsvrouw leidend tot algehele vrijspraak, wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 19 augustus 2021 te Amsterdam, aan [benadeelde partij 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een afgebeten oor en een afgebeten neus en meerdere bijtwonden in het gezicht en aan de armen en handen en ontsierende littekens in het gezicht, heeft toegebracht doordat hij - de hond " [naam] ", een Amerikaanse Stafford, die niet aangelijnd was, op die [benadeelde partij 1] heeft losgelaten, terwijl de hond op dat moment een agressieve houding aannam door op zijn achterpoten te gaan staan en - de hond " [naam] " niet heeft tegengehouden, terwijl die [benadeelde partij 1] meerdere malen in zijn gezicht werd gebeten.
Hetgeen onder 2 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen onder het kopje 'feiten en omstandigheden'.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.
Toepassing van artikel 423, vierde lid, Sv
Bij samenloop van het onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde is door de rechtbank één hoofdstraf uitgesproken. Nu het hoger beroep enkel is gericht tegen het onder 2 tenlastegelegde, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 Sv de straf bepalen ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde misdrijf. Door de rechtbank is ter zake van dit feit, samen met het door de rechtbank onder 2 subsidiair bewezenverklaarde (gekwalificeerd als medeplegen van zware mishandeling) een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, onder bijzondere voorwaarden en met een proeftijd van 2 jaar, en met aftrek van voorarrest. Het hof zal de straf ter zake van het door de rechtbank onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, onder hierna vermelde bijzondere voorwaarden en met een proeftijd van twee jaren. Deze straf is bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte, ten tijde van het vonnis van de rechtbank, en gezien de verhouding van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het in onder 2 subsidiair bewezenverklaarde.
Daarnaast heeft de rechtbank een beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] genomen. Aangezien artikel 423, vierde lid, Sv alleen ziet op hoofdstraffen, hoeft het hof geen nadere beslissingen te nemen over die vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] . Met het oog op de voor de tenuitvoerlegging vereiste duidelijkheid zal het hof de beslissingen van de rechtbank die zien op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] wel in het dictum opnemen.
Strafmotivering ten aanzien van feit 2
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank heeft aan de proeftijd bijzondere voorwaarden verbonden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, onder bijzondere voorwaarden en met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw van de verdachte heeft in het kader van de strafoplegging naar voren gebracht dat de verdachte het feit dat zijn hond is geëuthanaseerd als oneerlijk en pijnlijk heeft ervaren en dat het opleggen van een verbod om honden te houden, vier en een half jaar na het feit, terwijl de verdachte nadien geen soortgelijke feiten meer heeft gepleegd en hij op dit moment geen hond als huisdier heeft, onevenredig is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf ten aanzien van feit 2 bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling, door met opzet zijn hond op zijn achterpoten te zetten en los te laten en niet tegen te houden toen deze het slachtoffer [benadeelde partij 1] aanviel en in het gezicht en het lichaam beet. Het slachtoffer heeft aan de bijtwonden ernstig lichamelijk letsel en blijvende littekens overgehouden. De impact van de gebeurtenis op het slachtoffer is groot geweest. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat [benadeelde partij 1] nog steeds kampt met angstgevoelens in zijn eigen buurt, nachtmerries en pijnlijke herinneringen. Zijn gezicht en zijn (gezins-)leven zijn voor altijd veranderd.
De hond [naam] is twee maanden eerder bij een ander ernstig bijtincident betrokken geweest; dat incident is het inmiddels onherroepelijke feit 1 op de oorspronkelijke tenlastelegging dat in hoger beroep niet meer aan de orde is geweest.
Het hof rekent de verdachte zeer aan dat hij, terwijl hij wist dat de hond [naam] zich agressief naar personen kon gedragen, zijn niet-aangelijnde hond heeft losgelaten en [benadeelde partij 1] heeft laten bijten. Daarbij komt dat incidenten als deze niet alleen ernstige gevolgen hebben voor de betrokken slachtoffers, maar ook leiden tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het feit, in dit geval een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf zonder meer gerechtvaardigd is.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 januari 2026 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld. Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte mee bij het bepalen van de op te leggen straf.
Het hof heeft ook acht geslagen op de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. De verdachte is op 2 november 2021 in verzekering gesteld en het vonnis dateert van 9 augustus 2022. Op 22 augustus 2022 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 3 februari 2026. Dat betekent dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden met een jaar en bijna 6 maanden. Het hof ziet daarin aanleiding, alles afwegende, om in plaats van een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, een gevangenisstraf van 11 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk onder bijzondere voorwaarden en met een proeftijd van twee jaren op te leggen.
Bijzondere voorwaarden
Het hof verbindt aan het voorwaardelijke deel van de straf dezelfde voorwaarden als door de advocaat-generaal zijn gevorderd.
Contactverbod
Gelet op de omstandigheid dat de verdachte naar eigen zeggen nog steeds regelmatig in de buurt verblijft waar het slachtoffer woont, in samenhang met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit – dat verstrekkende gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer en in die buurt heeft plaatsgevonden - is het hof van oordeel dat een contactverbod met betrekking tot het slachtoffer ook in hoger beroep dient te worden opgelegd.
Houdverbod
Gelet op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden en de rol die de verdachte daarbij heeft gespeeld, acht het hof het opleggen van een houdverbod voor honden in dit geval, ook in hoger beroep, gedurende de looptijd van de proeftijd, zonder meer geboden. Dit mede in het belang van honden in het algemeen. Hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht over het houdverbod, te weten dat de verdachte na het bewezenverklaarde feit geen soortgelijke feiten meer heeft gepleegd en hij op dit moment geen hond als huisdier heeft, geeft het hof geen aanleiding tot een ander oordeel.
Beslag
Het onder 2 subsidiair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten de hond genaamd [naam] .
Deze hond is inmiddels geëuthanaseerd, maar juridisch gezien zal ook in hoger beroep een beslissing op het beslag moeten worden genomen. De hond zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
De kleding van het slachtoffer die onder hem in beslag is genomen (de schoenen, de blouse, de broek en het shirt) zal aan hem worden geretourneerd.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 8.460,49 (bestaande uit € 460,49 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade). De materiële schade bestaat uit de volgende posten: - kosten jas € 73,99 - kosten nieuwe telefoon € 279,00 - kosten aanvragen nieuwe pinpas € 7,50 - kosten ketting € 100,00.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 310,49 aan materiële schade en een bedrag van € 8.000,00 aan immateriële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, waarbij de advocaat van de benadeelde partij heeft aangegeven dat voor de kosten van de telefoon kan worden uitgegaan van de aanschafwaarde van het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 229,00.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 310,49 aan materiële schade en een bedrag van € 8.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering af te wijzen inzake de materiële schade, wegens gebrek aan onderbouwing, met uitzondering van de telefoon. Voor de kosten van de telefoon dient te worden uitgegaan van de aanschafwaarde, te weten € 229,00. De vordering tot vergoeding van de immateriële schade dient volgens de raadsvrouw gematigd te worden, wegens het eigen aandeel van het slachtoffer bij het incident (door de hond te slaan en te schoppen is een reactie uitgelokt) en het letsel van de benadeelde, dat kan worden gekwalificeerd als matig.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 310,49. De gevorderde schade voor de jas en de pinpas acht het hof redelijk en wordt daarom toegewezen. Met betrekking tot de telefoon is de aanschafwaarde van
€ 229,00 toewijsbaar. De verdachte is tot vergoeding van die schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige wordt de benadeelde partij wegens een gebrek aan onderbouwing daarvan, niet ontvankelijk verklaard in de vordering. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan hij die vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) meebrengt dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien deze ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen immateriële schade heeft geleden, bestaande uit ernstige bijtwonden aan met name de lip/wang, het oor en de neus. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, gezien de verklaringen van de aangever in het dossier en gehoord zijn slachtofferverklaring in hoger beroep, de benadeelde een zeer angstige gebeurtenis heeft doorgemaakt, veel pijn en ongemak heeft ervaren, dat meermalen medisch ingrijpen noodzakelijk was en dat hij, jaren na het bewezenverklaarde feit, nog steeds wordt geconfronteerd met de gevolgen daarvan door de ontsierende en blijvende littekens in zijn gezicht en op zijn oor. Ook kampt hij nog steeds met angstgevoelens; hij heeft last van nachtmerries en zou eigenlijk het liefst verhuizen uit de buurt waar het incident heeft plaatsgevonden.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b BW naar billijkheid vaststellen op € 8.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd, de aard en de ernst van de (op dit moment bekende) gevolgen van het feit voor de benadeelde partij en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toekennen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Beroep op eigen schuld/matiging
Voor zover door de verdediging wordt gesteld dat de schadevergoedingsplicht dient te worden verminderd omdat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend – naar het hof begrijpt - op grond van het bepaalde in artikel 6:101, eerste lid, BW, gaat het hof hieraan voorbij omdat dit verweer onvoldoende is onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Ditzelfde geldt voor het beroep van de verdachte op 'matiging' van de schadevergoedingsvordering.
Conclusie
Samenvattend is de verdachte gehouden tot vergoeding van schade tot een totaalbedrag van € 8.310,49
(€ 310,49 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente.
De aanvangstermijn van de wettelijke rente over de schadevergoeding wordt vastgesteld op
19 augustus 2021.
Het hof zal verder de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde
gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met: het slachtoffer, [benadeelde partij 1] ;
gedurende de proeftijd geen hond(en) mag houden, noch op zijn woon - of verblijfplaats, noch elders. De veroordeelde werkt mee aan controle hierop bij huisbezoeken door de politie.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: hond, ras Amerikaanse Staffordshire terriër, genaamd [naam] (6128953).
Gelast de teruggave aan [benadeelde partij 1] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- Schoenen, meerkleurig, merk Reebok (6090572)
- Blouse (6090573)
- Broek (6090574)
- Shirt, kleur zwart (6090576).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.310,49 (achtduizend driehonderdtien euro en negenenveertig cent) bestaande uit € 310,49 (driehonderdtien euro en negenenveertig cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 8.310,49 (achtduizend driehonderdtien euro en negenenveertig cent) bestaande uit € 310,49 (driehonderdtien euro en negenenveertig cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 66 (zesenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
19 augustus 2021.
Bepaaltde door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde op:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde
gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met: het slachtoffer, [benadeelde partij 2] ;
gedurende de proeftijd geen hond(en) mag houden, om te voorkomen dat hij hernieuwd honden op deze manier behandelt en inzet (waarbij hij de dieren levenslang welzijnsschade toebrengt en de maatschappij onveilig maakt). De veroordeelde werkt mee aan controle hierop bij huisbezoeken door de politie.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Het hof verstaat – en herhaalt dat hier ter voorlichting van partijen - dat door de rechtbank ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde het volgende is beslist ten aanzien van **de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]**i:
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.062,00 (tienduizend tweeënzestig euro) bestaande uit € 62,00 (tweeënzestig euro) materiële schade en
€ 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.062,00 (tienduizend tweeënzestig euro) bestaande uit € 62,00 (tweeënzestig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
28 juni 2021.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. J.L. Bruinsma en mr. J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
3 februari 2026.
Mr. N.R.A. Meerbeek en mr. J.H. van der Werff zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Proces-verbaal van verhoor aangever [benadeelde partij 1] van 25 augustus 2021, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina's B001 tot en met B005.
Proces-verbaal van verhoor aangever van 14 september 2021, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina 's B010 tot en met B012.
Proces-verbaal van verhoor [benadeelde partij 1] door de rechter-commissaris op 16 mei 2022, pagina 2, 3, 4 en 6.
Een geschrift, te weten een Letselrapportage van de Forensische Geneeskunde GGD Amsterdam van 25 augustus 2021, opgesteld door [deskundige 1] , forensisch arts, dossierpagina's D010 tot en met D026.
Proces-verbaal van bevindingen van 13 september 2021, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina's D052 tot en met D057.
Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 19 april 2022, opgesteld door rapporteur [deskundige 2] , dossierpagina's D102 tot en met D111.
Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 6 juni 2024, opgesteld door rapporteur [deskundige 2] .
Proces-verbaal van de terechtzitting van 26 juli 2022, pagina 5.
Een geschrift, te weten een Risico analyse bijtincident van het Riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht van 7 februari 2022. - - - ## Voetnoten