Terug naar bibliotheek
Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:236 - Centrale Raad van Beroep - 25 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:CRVB:2026:23625 februari 2026

Uitspraak inhoud

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1952 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2024, 23/7134 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv bij de aan appellant met ingang van 10 april 2023 toegekende WIA-uitkering terecht is uitgegaan van een verzekerd dagloon van € 160,-. Volgens appellant is het verzekerd WIA-dagloon ten onrechte niet geïndexeerd. Daarnaast vindt appellant dat het Uwv ten onrechte de bijzondere verhoging van de bruto uitkering per 1 januari 2023 niet heeft toegepast op zijn WIA-uitkering. Volgens appellant handelt het Uwv in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De Raad volgt de standpunten van appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht de WIA-uitkering heeft gebaseerd op een verzekerd dagloon van € 160,-.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 november 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Idrissi en zijn dochter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

Inleiding

  1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1. Appellant heeft zich met een formulier 'Aanmelding vrijwillige verzekering binnenland' op 13 november 2012 bij het Uwv aangemeld voor een vrijwillige verzekering voor de Ziektewet (ZW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellant heeft bij vraag 3.3 'Wilt u dat het verzekerde dagloon jaarlijks wordt aangepast aan de ontwikkeling van de loonindexcijfers', het vakje 'Nee' aangekruist. Het Uwv heeft appellant vervolgens toegelaten tot de vrijwillige verzekeringen voor de ZW en de Wet WIA, gebaseerd op een dagloon van € 130,-.
1.2. Op verzoek van appellant heeft het Uwv bij besluit van 19 januari 2021 het dagloon voor de vrijwillige ZW - en WIA-verzekering vanaf 1 januari 2021 vastgesteld op € 160,-.
1.3. Appellant is met ingang van 12 april 2021 ziek. Het Uwv heeft bij besluit van 5 mei 2021 appellant met ingang van 14 april 2021 een uitkering op grond van de ZW toegekend, gebaseerd op een verzekerd dagloon van € 160,-.
1.4. Het Uwv heeft bij besluit van 4 april 2023 appellant met ingang van 10 april 2023 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, gebaseerd op een verzekerd dagloon van € 160,-.
1.5. Het Uwv heeft bij de beslissing op bezwaar van 23 september 2023 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 april 2023 ongegrond verklaard. In bezwaar heeft appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. In dat verband heeft appellant gesteld dat hij het aanvraagformulier voor de vrijwillige verzekering destijds met een medewerker van het Uwv heeft ingevuld en dat hij er daarom op mocht vertrouwen dat het formulier juist was ingevuld. Volgens appellant is het een fout van de medewerker geweest dat op het formulier niet de keuze is gemaakt om het verzekerd dagloon jaarlijks te indexeren. Het Uwv heeft dit beroep op het vertrouwensbeginsel niet gevolgd. Appellant heeft op het aanvraagformulier in 2012 het vakje 'Nee' aangevinkt bij de vraag of het verzekerde dagloon jaarlijks moet worden aangepast aan de ontwikkeling van de loonindexcijfers. Appellant heeft niet met bewijsstukken aangetoond dat hij dit formulier samen met een medewerker van het Uwv heeft ingevuld en het Uwv kan dit door het tijdsverloop ook niet meer achterhalen. Daar komt bij dat appellant het formulier zelf heeft ondertekend en daardoor akkoord is gegaan met de inhoud van het formulier. Hoewel het Uwv er begrip voor heeft dat niet alle gebruikte termen op het aanvraagformulier duidelijk voor hem zijn, is het de eigen verantwoordelijkheid van appellant om navraag te doen of op de hoogte te zijn van de keuzes die hij aan het Uwv doorgeeft, vooral omdat hij zelf heeft verklaard dat hij niet wist wat de term indexering betekende. Verder heeft het Uwv in dit besluit overwogen dat de verhoging van bestaande uitkeringen per 1 januari 2023 met 10,15% niet op de WIA-uitkering kan worden toegepast, omdat de WIA-uitkering van appellant pas na 1 januari 2023 is ingegaan, namelijk op 10 april 2023, en omdat hij op het aanvraagformulier van 2012 de keuze heeft gemaakt om het verzekerd dagloon niet jaarlijks te laten indexeren. Het verzekerd dagloon van € 160, - is daardoor ongewijzigd gebleven. Het Uwv is bij de berekening van de WIA-uitkering uitgegaan van dit dagloon.
Uitspraak van de rechtbank
  1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit het toepasselijk wettelijk kader volgt dat gedurende de loop van de vrijwillige verzekeringen van appellant voor het Uwv geen verplichting bestond tot indexering van het door hem verzekerde dagloon, zolang de vrijwillige verzekeringen niet tot uitkering kwamen. Het was aan appellant om op grond van artikel 7 van de Regels vrijwillige verzekering Wet WIA 2007 het Uwv te verzoeken om verhoging van het verzekerd dagloon. Het feit dat lopende de ZW-uitkering wél wettelijke verhogingen werden doorgevoerd (onder meer de verhoging per 1 januari 2023 met 10,15%) leidt niet tot een ander oordeel. Immers, toen de vrijwillige ZW-verzekering tot uitkering kwam, verviel de verplichting tot premiebetaling voor de vrijwillige verzekeringen, waarmee de verhoging van het verzekerde dagloon op verzoek van appellant niet meer mogelijk was. Vanaf dat moment moesten de wettelijke verhogingen wél worden toegepast op de tot uitkering gekomen vrijwillige ZW-verzekering. Indexering van een lopende uitkering is te onderscheiden van indexering van het verzekerd dagloon. Bij de vrijwillige verzekeringen staat de eigen keuze van de verzekeringnemer voor de hoogte van het te verzekeren dagloon en de keuze voor het al dan niet indexeren van het zelfgekozen verzekerd dagloon voorop en is daarmee bindend. Nu appellant voordat zijn vrijwillige ZWverzekering tot uitkering kwam geen verzoek heeft gedaan bij het Uwv, was ook het zelfgekozen verzekerd dagloon voor de vrijwillige WIA-verzekering in beginsel de maatstaf voor de berekening van zijn WIA-uitkering.
2.1. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv over het beroep op het vertrouwensbeginsel gevolgd. Appellant heeft zijn stellingen niet aannemelijk gemaakt.
2.2. Het Uwv heeft zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de WIA-uitkering niet voor de wettelijke verhoging van 10,15 % in aanmerking kwam, nu deze verhoging alleen van toepassing was voor op 1 januari 2023 reeds lopende uitkeringen. Die verhoging is terecht op zijn lopende ZW-uitkering toegepast, maar kon niet op zijn toen nog niet lopende WIA-uitkering worden toegepast. Dat de overgang naar de WIA-uitkering een substantiële verlaging betekende van zijn maandelijkse inkomen doordat de bijzondere – in 2012 niet voorzienbare – verhoging van de uitkeringen per 1 januari 2023 achteraf bezien erg ongunstig uitpakte, betekent niet dat sprake is van een zodanig uitzonderlijke omstandigheid dat het Uwv met het bestreden besluit het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Uit de aard van de vrijwillige verzekering volgt dat de eigen keuzes van de verzekeringsnemer bepalend zijn en dat de gemaakte keuzes, ook als deze ongunstig uitpakken, niet afgewenteld kunnen worden op de verzekeraar.
Het standpunt van appellant
  1. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant handelt het Uwv in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Appellant stelt dat hij actief geïnformeerd had moeten worden over het indexeren van het dagloon en de betekenis daarvan. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een formulier duidelijk en ondubbelzinnig is. Op het formulier is geen uitleg gegeven over wat de optie indexatie betekent. Daarbij was het de Uwv-medewerker bekend dat appellant de taal niet goed machtig is. Ook heeft het Uwv ten onrechte geen rekening gehouden met de verhoging van het wettelijk minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen met 10,15% per 1 januari 2023. Gedurende de ZW-uitkering is deze uitkering vier keer geïndexeerd, waaronder met de indexering van 10,15% per 1 januari 2023. Appellant vindt het daarom onredelijk om vervolgens bij de aanvang van zijn WIA-uitkering uit te gaan van het dagloon van € 160,-. Volgens appellant is er sprake van bijzondere omstandigheden en is de weigering om het dagloon te indexeren in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Het standpunt van het Uwv
  1. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

  1. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de toekenning van de WIA-uitkering gebaseerd op een verzekerd dagloon van € 160, - in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel
5.1. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend.
5.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Vaststaat dat appellant op het door hem ondertekende aanvraagformulier in 2012 het vakje 'Nee' heeft aangekruist bij de vraag of hij wil dat het verzekerd dagloon jaarlijks wordt aangepast aan de ontwikkeling van de loonindexcijfers. In de stukken bevindt zich geen enkel aanknopingspunt voor de stelling dat appellant bij het invullen van het formulier is geholpen door een medewerker van het Uwv. Evenmin is duidelijk wat die hulp dan zou hebben ingehouden. Appellant heeft zijn stellingen, ook in hoger beroep, niet onderbouwd. Van een toezegging, andere uitlating, of gedraging als bedoeld in 5.1. is niet gebleken. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is evenmin sprake. Op het Uwv rust geen verplichting om uit zichzelf informatie te geven over de betekenis van de in vraag 3.3 op het aanvraagformulier vermelde optie van aanpassing van het verzekerde dagloon aan de ontwikkeling van de loonindexcijfers of om te waarschuwen voor de gevolgen van het niet kiezen voor deze optie.[1] Bovendien is bovenaan op het formulier vermeld dat meer informatie te vinden is op uwv.nl of dat telefonisch contact kan worden opgenomen met Uwv Vrijwillige Verzekering.
5.3. Uit artikel 7, derde lid, van de Regels vrijwillige verzekering Wet WIA volgt dat appellant tussentijds om verhoging van het verzekerd dagloon had kunnen verzoeken. Appellant heeft dat ook in december 2020 gedaan, toen hij verzocht het dagloon met ingang van 1 januari 2021 te verhogen tot € 160,-. Met het toen door hem ingevulde formulier 'Wijziging vrijwillige verzekering binnenland' had appellant ook alsnog om indexering van het verzekerd dagloon kunnen vragen dan wel hij had kunnen informeren naar de betekenis van dit onderdeel van het formulier. Appellant heeft dat echter ook toen niet gedaan.
De verhoging per 1 januari 2023
5.4. De verhoging van 10,15% is gebaseerd op een besluit van 3 oktober 2022 (Besluit).[2] In de nota van toelichting bij het Besluit wordt vermeld dat de verhoging van het minimumloon per 1 januari 2023 met 10,15% bestaat uit een bijzondere verhoging van 8,05 % en de halfjaarlijkse reguliere indexatie, na toepassing van de bijzondere verhoging, van 1,934%. In de nota van toelichting is ook vermeld dat met de minimumloonsverhoging in 2023 die met deze algemene maatregel van bestuur wordt geregeld alle aan het minimumloon gekoppelde regelingen meestijgen en dat dit ook geldt voor loongerelateerde uitkeringen voor bijvoorbeeld ziekte of werkloosheid die hoger liggen dan het sociaal minimum. Met de verhoging met 8,05% worden de gevolgen van de hoge inflatie verzacht. De verhoging is een structureel instrument waarmee betrokken huishoudens duurzaam in staat worden gesteld om een hoger prijspeil te dragen. De wettelijke grondslag voor de bijzondere verhoging is volgens de nota van toelichting artikel 14, dertiende lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. De regering is van mening dat met het uitzonderlijk hoge inflatieniveau en de onzekerheid van de prijsontwikkeling in de komende periode, sprake is van uitzonderlijke economische omstandigheden die het gebruik van deze mogelijkheid rechtvaardigen.[3]
5.5. De verhoging van lopende uitkeringen per 1 januari 2023 met 10,15% moet volgens het Uwv als een indexatie worden aangemerkt. Dit standpunt acht de Raad, gelet op de strekking van de verhoging zoals blijkt uit de nota van toelichting, juist. Het Uwv heeft opgemerkt dat als appellant op enig moment (voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag) het Uwv verzocht zou hebben om het verzekerd dagloon te indexeren, het verzekerd dagloon voor de vrijwillige verzekeringen met 10,15% zou zijn geïndexeerd. Omdat appellant dit niet heeft verzocht en omdat de WIA-uitkering nog niet was toegekend op 1 januari 2023, kan appellant voor de WIA-uitkering geen aanspraak maken op de verhoging van 10,15%. Ook hierin wordt het Uwv gevolgd.
5.6. Ten aanzien van het betoog van appellant dat er bijzondere omstandigheden zijn om de WIA-uitkering wel met 10,15% te indexeren, wordt als volgt overwogen. De verhoging van de bestaande uitkeringen per 1 januari 2023 berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Bij een gebonden bevoegdheid heeft op het niveau van het algemeen verbindend voorschrift al een belangenafweging in algemene zin plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid. Daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven. Het te nemen besluit volgt namelijk uit het wel of niet vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden en het bestuursorgaan hoeft daarbij geen belangenafweging te maken. Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in een voorliggend geval toepassing van het algemeen verbindend voorschrift voor één of meer belanghebbenden zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit is het geval als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredig nadelige uitkomst leidt, dat wil zeggen: als het besluit in de gegeven omstandigheden voor betrokkene onredelijk bezwarend is. De door appellant gestelde bijzondere omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat het bestreden besluit voor hem onredelijk bezwarend is. Het feit dat de WIA-uitkering van appellant lager uitvalt dan de ZW-uitkering, omdat de ZW-uitkering vanaf de toekenning is geïndexeerd, inclusief de indexering van 10,15% per 1 januari 2023, is geen bijzondere omstandigheid. Het is een bewuste keuze van de besluitgever om alleen de lopende uitkeringen te verhogen en het is inherent aan de door appellant gemaakte keuze dat het verzekerd dagloon niet is geïndexeerd. Bovendien zijn de premies die appellant heeft betaald voor zijn vrijwillige verzekeringen altijd gebaseerd geweest op het niet-geïndexeerde verzekerde dagloon.
5.7. Het Uwv heeft dan ook de hoogte van de WIA-uitkering terecht bepaald aan de hand van het niet-geïndexeerde verzekerde dagloon van € 160,-.

Conclusie en gevolgen

5.8. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de WIA-uitkering van appellant op 10 april 2023 terecht op basis van een dagloon van € 160, - is vastgesteld.
  1. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en D.S.de Vries en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.

(getekend) E. Dijt

De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels zoals deze luidden op 10 april 2023

Wet WIA

Artikel 21 Hoogte dagloon en WGA-uitkering vrijwillige verzekering
  1. De persoon, die om toelating tot de vrijwillige verzekering verzoekt, bepaalt bij de aanvang van de vrijwillige verzekering de hoogte van het dagloon, met dien verstande dat dit niet meer kan bedragen dan:
a. het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen genoemde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag eventueel verhoogd of verlaagd krachtens artikel 18 van die wet; en
b. het loon of het inkomen dat hij in geval van volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van het UWV derft.
[…]
Artikel 21a
Het UWV stelt nadere regels met betrekking tot de vrijwillige verzekering. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot:
a. de toelating tot de vrijwillige verzekering;
b. het einde van de vrijwillige verzekering; en
c. het dagloon, bedoeld in artikel 21, eerste lid.

Regels vrijwillige verzekering Wet WIA 2007

Artikel 5
Het UWV geeft van de op de aanvraag genomen beslissing schriftelijk kennis aan de aanvrager onder mededeling van het tijdstip waarop de vrijwillige verzekering een aanvang neemt.
Artikel 7
  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van de Wet, kan het UWV het dagloon dat ten grondslag ligt aan de vrijwillige verzekering van de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering herzien in de mate waarin het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag op grond van artikel 18 van die wet wordt verhoogd of verlaagd.
  1. Het UWV kan het dagloon dat ten grondslag ligt aan de vrijwillige verzekering van de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering herzien:
a. indien dat dagloon niet overeenkomt met het loon of inkomen dat de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering, in geval van arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van het UWV derft;
b. indien het naar het oordeel van het UWV aannemelijk is dat door een wijziging in de Wet de uitkeringsvoorwaarden zodanig zijn gewijzigd dat de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering bij aanvang van de vrijwillige verzekering een ander dagloon bepaald zou hebben.
  1. De herziening bedoeld in het eerste en tweede lid gaat in per 1 januari van enig jaar. De herziening bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan eveneens plaatsvinden op verzoek van de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering. De herziening bedoeld in het tweede lid, onderdeel b kan alleen plaatsvinden op verzoek van de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering. Dit verzoek wordt ingediend vóór 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarin de herziening ingaat. Het UWV kan een herziening als bedoeld in het tweede lid ook op een ander tijdstip laten ingaan, indien naar zijn oordeel sprake is van een aanzienlijke wijziging van het loon, inkomen of dagloon.

Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag

Artikel 8 [Hoogte minimumloon]
Het minimumloon bedraagt over elke uitbetalingstermijn van:
a. een maand of een veelvoud van een maand: € 1.934,40, onderscheidenlijk een gelijk veelvoud hiervan;
[…]
  1. Waar in deze wet wordt verwezen naar de in het vorige lid genoemde bedragen, worden als zodanig, indien toepassing is gegeven aan artikel 14, de daarbij laatstelijk in hun plaats gestelde bedragen aangemerkt.
Artikel 14 [Aanpassing minimumloon. Indexering]1. Het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, wordt telkens met ingang van 1 januari door Onze Minister herzien overeenkomstig:
a. de helft van de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen in het voorafgaande jaar, is geraamd; en
b. het verschil tussen de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het voorafgaande jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, was geraamd en de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het voorafgaande jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen in dat jaar, nader is geraamd.
  1. Het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, wordt telkens met ingang van 1 juli door Onze Minister opnieuw herzien overeenkomstig het verschil tussen de helft van de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen in het voorafgaande jaar, was geraamd en de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, nader is geraamd.
  1. […]
[…]
  1. Onze Minister gaat telkens na verloop van een termijn van ten hoogste vier jaar, voor het eerst uiterlijk in 1994, na of er omstandigheden aanwezig zijn die een bijzondere wijziging wenselijk maken van de bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vervolgens bedragen worden vastgesteld die in de plaats treden van de bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid. Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing.
[…]
  1. Wanneer een bijzondere wijziging of een verlaging op grond van het dertiende en veertiende lid samenvalt met een toepassing van het eerste tot en met het zesde en het tiende lid, worden de in artikel 8, eerste lid, genoemde bedragen in één algemene maatregel van bestuur opnieuw vastgesteld, met dien verstande dat in dat geval voor de toepassing van het eerste tot en met het zesde en het tiende lid wordt uitgegaan van de op grond van het dertiende en veertiende lid herziene bedragen.
Besluit van 3 oktober 2022 tot vaststelling van het wettelijk minimumloon met ingang van 1 januari 2023 vanwege een bijzondere verhoging van 8,05% en de halfjaarlijkse
indexatie en tot wijziging van het Besluit inkomensondersteuning AOW-ers teneinde de inkomensondersteuning te verlagen
Artikel I
De bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden met ingang van 1 januari 2023 onderscheidenlijk als volgt vastgesteld:
  1. Onderdeel a: € 1.934,40;
[…].
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 8 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:964.
Besluit tot vaststelling van het wettelijk minimumloon met ingang van 1 januari 2023 vanwege een bijzondere verhoging van 8,05% en de halfjaarlijkse indexatie en tot wijziging van het Besluit inkomensondersteuning AOW-ers teneinde de inkomensondersteuning te verlagen van 3 oktober 2022, gepubliceerd in Staatsblad 2022, 381.
Nota van toelichting, blz. 4-6 en 9. - - - ## Voetnoten
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 8 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:964.
Besluit tot vaststelling van het wettelijk minimumloon met ingang van 1 januari 2023 vanwege een bijzondere verhoging van 8,05% en de halfjaarlijkse indexatie en tot wijziging van het Besluit inkomensondersteuning AOW-ers teneinde de inkomensondersteuning te verlagen van 3 oktober 2022, gepubliceerd in Staatsblad 2022, 381.
Nota van toelichting, blz. 4-6 en 9.