Terug naar bibliotheek
Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:198 - Centrale Raad van Beroep - 20 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2026:198•20 februari 2026
Uitspraak inhoud
Datum uitspraak: 20 februari 2026
25/668 ONBEK
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 februari 2025, 24/3920 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de erven van [naam] te [woonplaats] (appellanten)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft [gemachtigde] als gemachtigde hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
OVERWEGINGEN
In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 31 mei 2025 is de gemachtigde van appellanten erop gewezen dat een griffierecht van € 143, - is verschuldigd, en is meegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 1 juli 2025 is de gemachtigde van appellanten nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief moet zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellanten er rekening mee moeten houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald.
Verder is in artikel 6:7 van de Awb bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van de Awb.
Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van de Awb. Uit artikel 6:24 van de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Als een partij wordt bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener of andere bijstandsverlener dan komt diens handelen in beginsel voor risico van die partij. Bij een niet-professionele bijstandsverlener moet worden beoordeeld of de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de bijstandsverlener betreffen of dat deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Bij de beoordeling van de verschoonbaarheid in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden worden alle omstandigheden van het geval in hun samenhang bezien.
Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.
De uitspraak waartegen - naar de Raad begrijpt - hoger beroep is ingesteld is op 6 februari 2025 in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 7 februari 2025 en is geëindigd op 21 maart 2025.
Het beroepschrift, gedateerd op 26 maart 2025, is op 31 maart 2025 ontvangen en is dus na afloop van de beroepstermijn door de gemachtigde van appellanten ingediend. Bij brief van 29 september 2025 is de gemachtigde van appellanten gevraagd om binnen vier weken de reden van de termijnoverschrijding mee te delen.
De termijn is verstreken en de gemachtigde van appellanten heeft niet op het verzoek gereageerd. Er is dan ook geen bijzondere omstandigheid aangevoerd die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor de genoemde verzuimen. Het hoger beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid vanA.Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.