Terug naar bibliotheek
Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:196 - Centrale Raad van Beroep - 20 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2026:196•20 februari 2026
Uitspraak inhoud
Datum uitspraak: 20 februari 2026
25/1665 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 juni 2025, 24/7944 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Bij de uitspraak van 20 februari 2025 heeft de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van de gronden. Het verzet van appellant dat ziet op deze uitspraak, heeft de rechtbank bij de uitspraak van 13 juni 2025 ongegrond verklaard. Onderhavige zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen deze laatstgenoemde uitspraak.
OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzet van appellant ongegrond verklaard. Dit is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb is bepaald dat tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld. De aangevallen uitspraak is zo'n uitspraak en is dus niet vatbaar voor hoger beroep.
Voor doorbreking van dit appèlverbod kan volgens vaste rechtspraak grond bestaan indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.[1]
De Raad komt tot de conclusie dat in het geval van appellant geen aanleiding bestaat voor doorbreking van het appèlverbod. De rechtbank heeft het verzoek om gronden op de juiste manier verstuurd. Appellant voert niet aan dat hij de tweede brief over indiening van de gronden niet heeft ontvangen, en had vanaf dat moment nog iets langer dan een week om-desnoodsin het kort - gronden in te dienen. Ook is appellant in de gelegenheid gesteld bij de verzetsrechter zijn zaak ter zitting te bepleiten, maar van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Deze omstandigheden leiden ertoe dat niet gezegd kan worden dat bij de rechtbank evident geen sprake is geweest van een eerlijk proces.
De Raad is dan ook kennelijk onbevoegd om van het door appellant ingestelde hoger beroep kennis te nemen, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid vanA.Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:105. - - - ## Voetnoten