Terug naar bibliotheek
Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:185 - Centrale Raad van Beroep - 19 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2026:185•19 februari 2026
Uitspraak inhoud
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/152 WSFBSF
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 december 2024, 24/3851 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Het betoog van appellant dat hij geen rente is verschuldigd over zijn studielening, omdat de minister niet heeft voldaan aan de informatieplicht op grond van de Richtlijn Consumentenkrediet, slaagt niet. Studieleningen verstrekt op grond van de Wsf 2000 vallen niet onder de reikwijdte van deze richtlijn.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 december 2025. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.
OVERWEGINGEN
Inleiding
- Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1. Appellant heeft op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) studiefinanciering ontvangen. Als debiteur heeft hij zich verplicht de aan hem toegekende studiefinanciering, een studielening, terug te betalen. Over de jaren 2019 tot en met 2023 was appellant over zijn studieschuld 0,0% rente verschuldigd. Bij besluit van 11 november 2023 is aan appellant medegedeeld dat hij vanaf januari 2024 tot en met december 2028 2,95% rente verschuldigd is over zijn studieschuld van, op 1 november 2023, € 42.515,15. Het maandelijks verplicht terug te betalen bedrag is € 335,-.
1.2. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat de minister hem, voordat hij de studielening aanging, niet over de toe te passen rentevoet heeft geïnformeerd op de manier die is voorgeschreven in de Richtlijn Consumentenkrediet.[1] De kredietovereenkomst is daarom vernietigbaar. Appellant heeft de minister verzocht het rentepercentage met terugwerkende kracht op nihil te stellen en de al betaalde rentelasten te verrekenen met het openstaande schuldbedrag.
1.3. Bij beslissing op bezwaar van 19 maart 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het besluit van 11 november 2023 gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
- De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank valt studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 niet onder de reikwijdte van de Richtlijn Consumentenkrediet, die door de nationale wetgever is omgezet in artikel 1:20, eerste lid, sub a van de Wet op het financieel toezicht. De rechtbank heeft hiervoor het volgende overwogen.
2.1. Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel l, van de Richtlijn Consumentenkrediet is deze niet van toepassing op kredietovereenkomsten betreffende leningen die krachtens een wettelijke bepaling met een doelstelling van algemeen belang aan een beperkt publiek worden toegekend tegen een lagere dan op de markt gebruikelijke rentevoet, dan wel rentevrij, of onder andere voorwaarden die voor de consument gunstiger zijn dan de op de markt gebruikelijke voorwaarden en tegen rentetarieven die niet hoger zijn dan de op de markt gebruikelijke.
2.2. De studieschuld omvat een lening die op basis van de wettelijke bepalingen uit de Wsf 2000 beschikbaar wordt gesteld aan een beperkt publiek, namelijk studerenden die voldoen aan bepaalde nationaliteits-, leeftijds - en opleidingsvoorwaarden. Er is dan ook sprake van een duidelijk omlijnde groep. Daarnaast wordt de lening verstrekt met een doelstelling van algemeen belang, namelijk om studerenden in de gelegenheid te stellen om onder maatschappelijk acceptabele voorwaarden een herkenbare kwalificatie te behalen. Verder geldt voor de lening een lagere rentevoet dan gebruikelijk is op de markt.
2.3. Ook zijn de voorwaarden waaronder de studielening wordt verstrekt voor de student gunstiger dan op de markt gebruikelijk is, omdat tijdens de verstrekking geen inkomenstoets wordt gehanteerd, pas geruime tijd na de studie kan worden gestart met aflossen, er een ruime aflossingstermijn geldt, de hoogte van het af te lossen maandbedrag inkomensafhankelijk is, elke debiteur de aflossing gedurende maximaal vijf jaar kan pauzeren, de schuld ineens kan worden afgelost zonder dat hiervoor een rentevergoeding verschuldigd is, het de debiteur volledig vrijstaat zich tijdelijk of permanent buiten Nederland te vestigen en een eventuele studieschuld bij het einde van de aflosfase dan wel in geval van overlijden wordt kwijtgescholden.
Het standpunt van appellant
- Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij betwist de vaststellingen van de rechtbank en voert aan dat de Uniewetgever studiefinanciering niet categorisch heeft willen uitsluiten van de Richtlijn Consumentenkrediet. Appellant verzoekt de Raad prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) over de uitleg van die richtlijn. Wat appellant heeft aangevoerd wordt hieronder besproken.
Het standpunt van de minister
- De minister heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
- De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en de bepaling van het Unierecht die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1. De Raad stelt vast dat de berekening van het maandelijks terug te betalen bedrag op zichzelf niet in geding is. Het geschil beperkt zich blijkens het hoger beroepschrift tot de vraag of de Richtlijn Consumentenkrediet van toepassing is op de Nederlandse studiefinanciering. Daarbij is niet in geschil dat de minister aan appellant studieleningen heeft verstrekt krachtens een wettelijke bepaling met een doelstelling van algemeen belang.
Beperkt publiek?
5.2. Appellant betwist, althans trekt in twijfel, dat er bij de studiefinanciering sprake is van het aanbieden aan een beperkt publiek. Volgens appellant neigt de formulering van artikel 2, tweede lid, onderdeel l, van de Richtlijn Consumentenkrediet in de Engelse taalversie naar een numerieke of kwantitatieve uitleg van het begrip "beperkt" publiek. Appellant voert aan dat in het studiejaar 2021/2022 ruim 1,3 miljoen studenten stonden ingeschreven voor een studie die aanspraak kan geven op studiefinanciering, zodat in die zin geen sprake is van een beperkt publiek.
5.3. Deze grond slaagt niet. De Raad ziet noch in de (Nederlandse of Engelse) tekst van de Richtlijn, noch in de considerans daarbij enig aanknopingspunt voor de visie van appellant. Gelet op de overige onderdelen van artikel 2, tweede lid, onderdeel l, van de Richtlijn, te weten dat het moet gaan om leningen die krachtens een wettelijk bepaling, met een doelstelling van algemeen belang, worden toegekend tegen gunstiger condities dan op de markt gebruikelijk, acht de Raad niet voor redelijke twijfel vatbaar dat een numerieke of kwantitatieve uitleg van het begrip van deze bepaling onjuist is. De wetgever van een lidstaat zal immers, om een doelstelling van algemeen belang te bereiken, voor inhoudelijk omschreven en afgebakende categorieën van personen een stelsel van leningen tegen gunstige condities in het leven roepen. De Raad vindt nog steun voor deze opvatting in een mededeling van de commissie verzoekschriften van het Europees Parlement van 30 augustus 2017, inzake de vraag of de Britse wetgever Britse studieleningen terecht heeft uitgezonderd van het toepassingsgebied van de Richtlijn Consumentenkrediet.[2] De commissie stelt zonder verdere overwegingen dat studieleningen duidelijk aan een beperkt publiek worden toegekend, te weten studenten.
Lagere rentevoet dan op de markt gebruikelijk?
5.4. Appellant betwist dat de studielening wordt aangeboden tegen een lagere dan de op de markt gebruikelijke rentevoet. De Richtlijn Consumentenkrediet is niet duidelijk over de vraag welke referentiemarkt moet worden toegepast. Volgens appellant moet de rente op een Nederlandse staatsobligatie met een gemiddeld resterende looptijd van vijf jaar, als referentiepunt gelden, nu de Wsf 2000 het rentepercentage over de studieschuld aan de rente van zo'n staatslening koppelt. Daarvan uitgaande is de over de studielening te betalen rente niet lager dan het rentepercentage dat op de markt geldt. Zelfs al zou de markt voor persoonlijke leningen de juiste referentiemarkt zijn, dan is het volgens appellant geen gegeven dat de rente op de studielening steevast lager is dan de rente voor een consumptief krediet. De rente voor de studielening wordt namelijk voor vijf jaar vastgezet, terwijl de rente op de markt voor consumptief krediet schommelt en op een zeker moment dus lager kan zijn dan de vastgezette rente voor de studielening.
5.5. Ook deze grond slaagt niet. De Raad acht niet voor redelijke twijfel vatbaar dat de zinsnede "lagere dan op de markt gebruikelijk rentevoet" betekent: lager dan de rentevoet waartegen een consument in vergelijkbare omstandigheden een lening van vergelijkbare omvang en met een vergelijkbare looptijd op de markt zou kunnen krijgen. Dat betekent in dit geval: een rente waartegen een student een maandelijkse lening ter hoogte van ten minste de basisbeurs kan krijgen voor de nominale duur van zijn studie met geen ander onderpand dan zijn mogelijke toekomstige verdienvermogen, en waarbij gedurende de studietijd in het geheel niet wordt afgelost. Appellant heeft niet een begin van aannemelijkheid verschaft dat op de markt voor consumentenkredieten een met de studielening vergelijkbare lening tegen een gelijke of lagere rente verkrijgbaar is.
5.6. Dat niet valt uit te sluiten dat de – voor vijf jaar vastgelegde – rente op de studielening op enig moment tijdens die looptijd hoger is dan de op dat moment voor een consumentenkrediet vastgestelde lening, doet hieraan niet af. Een correcte vergelijking is immers de vergelijking van de rente op de studielening met de rente op een consumentenkrediet dat op hetzelfde moment wordt afgesloten tegen een rente die voor vijf jaar wordt vastgezet.
Gunstigere consumentenvoorwaarden?
5.7. Gesteld al dat de rente op een Nederlandse staatsobligatie met een gemiddeld resterende looptijd van vijf jaar als referentiepunt zou gelden, dan zou dat nog niet betekenen dat de Nederlandse studiefinanciering onder de Richtlijn Consumentenkrediet valt. Zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, wordt de studielening afgesloten onder andere voorwaarden, die voor de consument gunstiger zijn, dan de op de markt gebruikelijke voorwaarden. Appellant heeft van een aantal voorwaarden betwist dat deze gunstiger zijn dan op de vrije markt, maar naar het oordeel van de Raad zijn deze voorwaarden, zeker in hun onderlinge samenhang, gunstiger dan de voorwaarden voor consumentenkredieten op de vrije markt. De Raad wijst in het bijzonder op de mogelijkheid van het pauzeren van de afbetaling, het feit dat na afloop van de aflosfase een eventuele restschuld wordt kwijtgescholden en het feit dat ook zonder verzekering de restschuld vervalt in geval van overlijden.
5.8. Gelet op alles wat hierboven is overwogen, zal de Raad geen prejudiciële vragen stellen aan het Hof over de uitleg van het begrip "beperkt publiek" in de zin van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder l van de Richtlijn Consumentenkrediet of over de bij de uitleg van die bepaling te hanteren referentiemarkt. Naar het oordeel van de Raad is op beide punten sprake van een acte clair.
Conclusie en gevolgen
5.9. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
- Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) F.M. Gerritsen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet studiefinanciering 2000
Art. 6.1b
Ontvangst van een lening of omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld in artikel 6.17, verplicht degene die studiefinanciering heeft ontvangen tot terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit hoofdstuk berekende rente.
Art. 6.3
Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk in december een rentepercentage vast dat gelijk is aan het gemiddeld effectief rendement over de maand september van dat jaar van de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een gemiddelde resterende looptijd van 3 tot 5 jaren. (…)
Art. 6.4
(…)
Richtlijn 2008/48/EG (Richtlijn Consumentenkrediet)
Art. 2, lid 2, aanhef en sub l
- Deze richtlijn is niet van toepassing op het volgende:
(…) l) kredietovereenkomsten betreffende leningen die krachtens een wettelijke bepaling met een doelstelling van algemeen belang aan een beperkt publiek worden toegekend tegen een lagere dan op de markt gebruikelijke rentevoet, dan wel rentevrij, of onder andere voorwaarden die voor de consument gunstiger zijn dan de op de markt gebruikelijke voorwaarden en tegen rentetarieven die niet hoger zijn dan de op de markt gebruikelijke.
Wet op het financieel toezicht
Art. 1:20, lid 1, aanhef en sub a
- Deze wet is niet van toepassing op:
a. het krachtens een wettelijke bepaling aanbieden van krediet met een doelstelling van algemeen belang aan een beperkt publiek,
1°. rentevrij of tegen een lagere dan op de markt gebruikelijke rentevoet, of
2°. tegen een rentevoet die niet hoger is dan de op de markt gebruikelijke rentevoet en onder voorwaarden die voor de consument gunstiger zijn dan de op de markt gebruikelijke voorwaarden;
Ten tijde van dit geding: Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake kredietovereenkomsten voor consumenten.
Mededeling naar aanleiding van verzoekschrift 0083/2017 over privatisering en opheffing van de bescherming van consumentenkrediet bij studieleningen in het VK, CM/1134288NL; PE610.655v01 00. - - - ## Voetnoten